Beperk lockdown tot 3 weke sê VF+ Die Son

The case for: de Libertaire Partij.

Dag allen,
met deze post wil ik jullie introduceren tot de Libertaire Partij. In deze post zal ik in gaan op de vraag die doorgaans wordt gesteld over de Libertarische Partij.
Om te beginnen, in de afgelopen jaren is de Libertarische Partij veranderd in de Libertaire Partij en is de partij een klassiek liberale koers gaan varen.
Waar gelooft de Libertaire Partij in?
De Libertaire Partij wil regeren vanuit de kernwaarden: vertrouwen en ambitie. De laatste jaren neemt het populisme van links en rechts alsmaar toe. De waan van de dag regeert en emotie voert de boventoon. De Libertaire Partij wil terug naar een feitenpolitiek, gebaseerd op harde cijfers en een door de geschiedenis bewezen filosofie. De Libertaire Partij wil zich in het denken uitsluitend door de rede, wetenschap en logica late leiden en niet door autoriteitsgeloof of traditie. De Libertaire Partij keert tegen elke vorm van dogmatiek.
Zij gaan uit van vertrouwen. Vertrouwen dat de meeste mensen prima voor zichzelf kunnen zorgen als ze daar de ruimte voor krijgen. Vertrouwen dat mensen bereid zijn elkaar te helpen en elkaars grenzen te respecteren en dat de overheid alleen waar nodig moet optreden als scheidsrechter in plaats van als vadertje staat. Vertrouwen in de ongekende krachten van de mensen om ons heen.
Om een kort overzicht te geven van de partij haar standpunten, hier een aantal bullet points:
Economie:
Onderwijs:
Energie:
Defensie:
Democratische vernieuwing:
Het zijn maar een paar elementen van het programma van de Libertaire Partij.
Voor eventuele vragen probeer ik ze te beantwoorden.

Voor meer informatie;
Reddit: https://www.reddit.com/Libertaire_Partij/ (pas net aangemaakt)
Twitter: https://twitter.com/LPNL
Facebook: https://www.facebook.com/StemLP/
Algemeen: https://stemlp.nl/standpunten/
submitted by Fil0s00f to Politiek [link] [comments]

Intermitterend vasten: het dieet van vrijheid

Intermitterend vasten: het dieet van vrijheid
https://preview.redd.it/49iemjuzwm351.png?width=800&format=png&auto=webp&s=ff371a80732edb1046946f4d53f4046695dd2562
'Je hebt vast wel eens gedacht dat je dat graag zou willen verlies gewicht zonder iets te veranderen. Dat is precies wat intermitterend vasten voorstelt. "
De zin komt uit de Intermitterend vasten gids. Een effectieve oplossing om af te vallen, gezond te worden en uw leven te vereenvoudigen, een boek geschreven door Ángel Alegre vanuit zijn persoonlijke ervaring, met de steun van de klinisch psycholoog en schrijfster Marina Díaz Carmona, waarvan de tweede editie - verbeterd en uitgebreid - zojuist is verschenen.
Met de zomer voor de deur, zijn dat soort dingen precies waar velen naar verlangen om te horen. Het klinkt als een wonderdieet, maar dat is het niet. Ik weet niet eens zeker of het een dieet is, maar het is het meest consistente dat ik in lange tijd heb gelezen over voedselmodellen die als belangrijkste doel hebben afvallen en de gezondheid behouden op middellange en lange termijn. Vandaar de licentie om intermitterend vasten aan te duiden als het vrijheidsdieet.

Wat is intermitterend vasten

Intermitterend vasten is geen normaal dieet, maar streeft ernaar voordelen van vele dieten samen: afvallen, je fysieke conditie en je algemene gezondheid verbeteren, een balans tussen geest en lichaam bereiken, enz. Dit alles met het voordeel dat we het leven een beetje makkelijker maken, door onszelf te bevrijden van de plicht die onze eigen cultuur van eenmaal thuis ontbijten en eenmaal op het werk, elke dag lunch, tussendoortje en diner; naast de rest van de clandestiene maaltijden die we ons normaal gesproken veroorloven, en met alles wat daarbij komt kijken: eten kopen, klaarmaken, vuil maken, schoonmaken, een geschikte plek vinden om te eten als je niet thuis bent, etc.
Met tussenpozen, bewust en vrijwillig vasten houdt dus iets in dat op het eerste gezicht zo logisch is als ons ritme van maaltijden en vasten bestellen het elimineren van enkele van de "vaste maaltijden", en de balans van opgenomen voedingsstoffen zoveel mogelijk aanpassen aan de behoeften van ons organisme.
Op basis van het feit dat we sommige van onze maaltijden moeten missen, is het beste dat af en toe vasten "beperkt geen soorten of hoeveelheden voedsel" en "stelt ons in staat om de rest van onze normale, complete en heerlijke maaltijden te maken (...) In ruil voor een acceptabele beperking, genieten we van al het plezier dat zoiets fantastisch als eten ons kan geven. "
Natuurlijk is er geen enkel model van intermitterend vasten, waarbij dit soort filosofie van voedsel wordt aangepast aan de realiteit en de behoeften van iedereen. Het is dus een 100% flexibel dieet.

Over de Intermitterend vasten gids

'Het is geen boek over voeding, maar over vrijheid. Van minder werken, van onnodige regels afkomen en vereenvoudigen. "
"Het is niet bedoeld als een uitputtende verhandeling, maar iets dat u in een paar uur kunt lezen en de volgende dag kunt toepassen, zij het met voldoende informatie om het te doen veilig ."
Gezien de snelle verspreiding van boeken over frauduleuze en potentieel gevaarlijke wonderdieten in de afgelopen jaren, Ángel Alegre heeft een speciale inspanning geleverd om mogelijke spoken in de proloog te verdrijven en duidelijk te maken wat de essentie van de gids is, iets dat perfect weerspiegeld wordt in deze twee zinnen.
Mijn mening is dat het een perfect geordend compendium is van informatie over intermitterend vasten, uitgelegd in een taal die we allemaal begrijpen, en onderschreven door de auteur persoonlijke ervaring.
Gewend aan het lezen van de artikelen door Ángel Alegre, ik kan niet zeggen dat de stijl van de gids Aan Intermitterend vasten heeft mijn aandacht getrokken: het is extreem duidelijk, het is gemotiveerd zoals verwacht en genereus gedocumenteerd, het is leuk als een kinderboek, enz.
Tijdens de tijd dat je het leest, heb je het gevoel naar een zeer deskundige vriend te luisteren en je alles te vertellen over het dieet het eetmodel dat zijn leven veranderde, ook al was het juist zijn nieuwe manier om het leven te begrijpen die hem ertoe bracht zijn eetgewoonten te heroverwegen.
De gids verder Intermitterend vasten door Ángel Alegre en Marina Díaz, gedistribueerd in digitaal formaat (PDF, Mobi en ePub), heeft twee verschillende delen: een inleidend deel, waarin duidelijk wordt gemaakt waaruit intermitterend vasten bestaat, sommige zijn ontmantelde mythen erover en waardevolle informatie wordt verstrekt op hoe het dieet toe te passen (zoals het combineren van het dieet met het echte leven, hoe te vasten, hoe te eten, etc.); en een meer pragmatische, die in detail de meest aanbevolen intermitterende vastenmodellen beschrijft, vertrouwend op infographic materiaal:

  • Eenvoudig 8/16, die in feite bestaat uit het vaststellen van een periode van 8 uur per dag om te eten en 16 uur om te vasten.
  • Leangains , gericht op atleten die vet willen verliezen en spieren willen opbouwen.
  • Eet Stop Eet, die voorstelt om een ??of twee keer per week 24 volle uren te vasten en normaal de rest te eten.
  • Het dieet van de krijger, geinspireerd op de levensstijl van de Romeinse legionairs, die tijdens de training 20 uur per dag kleine maaltijden maakten om elke dag af te sluiten met een heerlijk diner.
De informatie aan het einde van het boek over de stressvolle aard van intermitterend vasten, de oorzaken en gevolgen, evenals de aanbevolen eet- en gedragsrichtlijnen voor "Omgaan met honger" leek me vooral praktisch: gebruik een constante vasten-uren, ga van minder naar meer in de uitvoering, drink veel water, blijf bezig, oefen, enz.

Over Ángel Alegre

Voordat ik deze gids lees, denk ik dat het interessant is om een ??idee te krijgen van wie Ángel Alegre is. Ik ken hem niet persoonlijk - we zijn gedoemd om het vroeg of laat te doen - maar ik volg zijn publicaties praktisch vanaf zijn begin in Vivir al Máximo, een project dat zijn essentie perfect definieert buiten het feit dat hij optreedt als een logboek van zijn avonturen.
Angel is een soort feniks, een overduidelijk jonge jongen levensfilosoof met een vermogen dat ik bewonder om zijn eigen realiteit en die van de wereld om hem heen te interpreteren. Dat is de reden waarom, met slechts 22 jaar oud, een contract als computeringenieur bij een grote multinational en de toekomst praktisch is opgelost, Ángel wist hoe hij zijn kettingen kon breken en zijn leven kon maken wat hij echt wilde, gaande van een goedbetaalde, ongemotiveerde en overgewicht, om een ??online ondernemer en reiziger te worden van beroep, zonder fysieke beperkingen in verband met eten; "Een normale jongen" wie gevonden in intermittent fasting zijn ideale methode om gewicht te verliezen en beter te leven.
Als ik erin geloof Ángel Alegre en in zijn gids als een uitstekend startpunt voor iedereen die intermitterend vasten wil proberen, is dat omdat Ángel ondersteunt alles wat hij redeneert en schrijft in een vorig werk van documentatie en interpretatie van zijn eigen foutloze ervaring.

Conclusies

Ik moet bekennen dat ik geen intermitterend vasten heb beoefend (ik heb nog niet eens de tijd gehad om erover na te denken), en vanwege mijn kenmerken zal ik het zeker niet op korte termijn in de praktijk brengen in mijn vlees, maar net zoals het heeft gedaan overkwam mij bij het onderzoeken van andere voedselmodellen zoals het paleodieet of het rauwe veganistische dieet, ik heb enkele conclusies getrokken die hebben geleid tot hun overeenkomstige microaanpassingen in mijn dieet :
· Vasten is gezond. We moeten eten om te voldoen aan de eisen van ons organisme en ook van onze ziel, maar als we de kwestie van voedsel op de best mogelijke manier willen aanpakken, kunnen we van voedsel geen medicijn maken en afhankelijk worden van het uiterste van onszelf. waar we niet echt van afhankelijk zijn.
Om deze reden heb ik het in mijn geval als gunstig beschouwd om de totstandkoming van iets strakkere marges van vasten en voederperiodes te verfijnen, waardoor het pikken tussen ontbijt en lunch en snacks en snacks tussen eten en diner wordt geelimineerd. Hij heeft een diner, hoewel in de eerste dagen soms de menigte brult dan normaal.
· Door vasten kan ik meer van eten genieten. Een van de effecten die ik hierboven al ben gaan opmerken, is dat zowel mijn maaltijden als mijn diners nu veel aangenamer zijn. Ik zie het proces met een echte eetlust aan, ik neem de smaken intenser waar, en zoals meer van de lunch- en dinergerechten, de maaltijden die ik bereid, denkend aan mijn voedingsbehoeften.
Vaak rechtvaardigen we onze eigen toegeeflijkheid door alles te eten wat we willen wanneer we daar zin in hebben, op basis van de voldoening die dit voor ons oplevert, maar we realiseren ons niet dat die micromomenten van plezier zich de hele dag verspreiden, naast het slecht behandelen van onze Door het lichaam constant onder de zware vertering te houden, voorkomen ze dat we genieten van belangrijke maaltijden van de dag.
Onze magen gedragen zich als verwende kinderen: ze hebben te allen tijde zoveel van alles dat ze niet de minste waarde geven aan de komst van een nieuwe stimulus.
· Vasten brengt samenhang in mijn leven. Een groot deel van de dag nadenken over wat het volgende is dat we na amper een uur na de laatste maaltijd naar onze mond zullen brengen, is vrijgesteld van alle logica. Het disconcentreert ons, genereert angst, maakt ons minder productief, vermoeit ons, enz. Integendeel, onszelf disciplineren door vasten en eten vast te stellen aangepast aan ons dagelijkse ritme, bevrijdt ons van een last die niemand ons dwingt te dragen.
Verwijzend naar de gids op Intermitterend vasten net zo "een boek over vrijheid" net zo Ángel Alegre doet in het voorwoord van het boek misschien pretentieus, maar het lijkt een zeer geldige nuance en het is het idee waarmee ik wil eindigen.
Ik denk dat intermitterend vasten op veel manieren en voor vele doeleinden kan worden beoefend (om af te vallen, als therapeutisch vasten, als versterking van de beoefening van bodybuilding, enz.), En zoals bij alles zullen er mensen zijn die de naar het noorden en zelfs aankomen om vasten iets te maken dat schadelijk is voor je eigen gezondheid. Maar bovenal stelt Intermittent Fasting, uitgevoerd met controle op een van de manieren die in de gids worden uiteengezet, rekening houdend met de principes ervan geheel of gedeeltelijk, ons in staat om onszelf te verlossen van foutieve en vooraf vastgestelde benaderingen van onze manier om voedsel te begrijpen. En dat maakt ons ook vrijer.
submitted by hellohongyi to u/hellohongyi [link] [comments]

ACV Plus Nederland Prijs & ACV Plus Keto-pillen werken of niet?

ACV Plus Nederland Prijs & ACV Plus Keto-pillen werken of niet?
ACV Plus Nederland Prijs & ACV Plus Keto-pillen werken of niet?
ACV Plus Nederland Dit voedingssupplement is speciaal gemaakt met het ketogeen dieet en daarom maakt het niet uit wat uw leeftijd is en wat uw geslacht is? U kunt deze formule consumeren zonder met enige vorm van beperking geconfronteerd te worden. Vaak geven mensen ook hun favoriete eten, inclusief fastfood en pasta, alleen vanwege het probleem van obesitas. Je kunt ook je favoriete eten en favoriete gerechten achterlaten om het slanke en sexy figuur te krijgen, maar je kunt nog steeds niet het effectieve resultaat bereiken in het programma voor gewichtsverlies.

https://preview.redd.it/fw3wolzp5fh41.png?width=900&format=png&auto=webp&s=fea5471745ff892b740571ab1138aeef0638ae62
Daarom als u de ACV Plus Nederland-formule in uw normale leven gebruikt, zult u misschien nooit geconfronteerd worden met het probleem van gewichtsverlies en hoeft u uw favoriete gerechten in uw normale leven niet te verliezen en daarom wordt dit supplement zo populair op de markt. Lees het volledige artikel en krijg de vereiste kennis over deze geweldige formule omdat dit Keto-dieet echt nuttig voor u is. Nu komen we bij het ACV Plus Nederland slanke formule werkproces en wanneer we het hebben over de functies van de formule kunnen we zeggen dat deze formules met veel functies en voordelen werken. De formule werkt met het natuurlijke proces om het extra vet in het lichaam te verbranden. met het verbranden van koolhydraten en suiker in het algemeen je normale leven gegeten kun je dat gemakkelijk wanneer de extra massa in het lichaam opslaat. ACV Plus Daarom zijn we hier gekomen met het beste kwaliteitsproduct dat bekend staat als de gewichtsverliesformule van ACV Plus Nederland. Nu hoeft u niet naar de effectieve formule voor gewichtsverlies te zoeken, omdat dit supplement een van de beste producten op de markt is. ACV Plus Nederland Pondverminderende formule geeft u de mogelijkheid om het gewicht in korte tijd te verminderen zonder problemen te ondervinden. ACV Plus Nederland Er zijn zoveel momenten waarop u een goede gezondheid en een fit lichaam wenst, maar u kunt geen succes behalen met deze doelstelling omdat u niet over de juiste bron en methoden beschikt om de doelstelling te bereiken. Als u deze formule in uw normale leven gebruikt, zult u nooit problemen ondervinden tijdens het afslankprogramma. Obesitas is niet het nieuwe ding in de wereld, maar het aantal personen dat geconfronteerd wordt met obesitas neemt voortdurend toe in de wereld. ACV Plus Daarom is het gloednieuwe supplement voor de oplossing voor obesitas op de markt gekomen en kunt u de formule kopen om van obesitas af te komen. Nu is het ketogeen dieet van een dag een van de populaire componenten en stoffen om het succes in het afslankprogramma te bereiken en daarom zijn mensen altijd op zoek naar de Keto-gerelateerde formule.
Voor meer info bezoek hier. http://supplementsnetherlands.nl/acv-plus-nederland/
submitted by vvmgcvplusketo to u/vvmgcvplusketo [link] [comments]

Amendement van het lid Bergkamp c.s. 35146-11 over toegang tot Wlz voor jeugdigen op nader te bepalen datum

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:   I   Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, luidende:   ARTIKEL IA   Artikel 3.2.1, zesde lid, van de Wet langdurige zorg vervalt.   II   Na artikel II wordt een artikel ingevoegd, luidende:   ARTIKEL IIA   1. Het CIZ stelt voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel IA op aanvraag vast of een verzekerde als bedoeld in artikel 3.2.1, zesde lid, van de Wet langdurige zorg met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IA recht heeft op zorg vanwege een psychische stoornis.   2. Het CIZ verricht de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, op basis van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, zoals dat artikellid komt te luiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B.   3. Het CIZ stelt het recht op zorg, bedoeld in het eerste lid, vast in een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg waarvan de geldigheidsduur ingaat op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IA.   III   Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, luidende:   ARTIKEL IIIA   Indien een jeugdige als bedoeld in de eerste twee onderdelen van het begrip jeugdige van artikel 1.1 van de Jeugdwet ervoor kiest de zorg op grond van het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg, tot gelding te brengen met verblijf in een instelling, en hij voor inwerkingtreding van artikel IA reeds in een dergelijke instelling verblijft, spant de Wlz-uitvoerder zich ervoor in dat de verzekerde het verblijf in die instelling kan voortzetten.   IV   Artikel V wordt als volgt gewijzigd:   1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1” geplaatst.   2.Er wordt een lid toegevoegd, luidende:   2. De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt, indien het de inwerkingtreding van artikel IA betreft, niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.   Toelichting   Het wetsvoorstel regelt in artikel I een recht op toegang tot de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) voor mensen die vanwege een psychische stoornis een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Artikel I, onderdeel B, onderdeel 2, maakt hierop een uitzondering voor de jeugdige als bedoeld in de eerste twee onderdelen van het begrip jeugdige van artikel 1.1. van de Jeugdwet. Met dit amendement kunnen deze jeugdigen op een nader te bepalen datum toegang krijgen tot de Wlz, indien de effecten van deze overheveling in kaart zijn gebracht en deze geen belemmering vormen voor een zorgvuldige uitvoering hiervan.   De indieners zijn van mening dat de aandoening, beperking of stoornis van een persoon leidend zou moeten zijn als het gaat om de zorg die iemand nodig heeft, niet diens leeftijd. Daar een dergelijke uitzondering niet bestaat voor jeugdigen met een somatische of verstandelijke beperking, achten de indieners deze ook niet wenselijk voor jeugdigen met een psychische stoornis. De complexe psychische, en vaak meervoudige, problematiek, waar het bij deze jeugdigen om gaat, moet in zijn totaliteit worden bezien. Dit omdat psychische, verstandelijke en/of lichamelijke problemen vaak met elkaar zijn verweven of elkaar versterken. Op dit moment ontvangen deze jeugdigen hun zorg vanuit de Jeugdwet. Voor jeugdigen die bijna 18 jaar worden levert het veel onrust op om eerst een aanvraag bij de gemeente in te dienen en korte tijd later een Wlz-indicatie aan te vragen, zeker als duidelijk is dat de jeugdige aan de Wlz-criteria zal voldoen. Dit staat haaks op de behoefte aan continue en stabiele zorg voor deze jeugdigen met complexe psychische problematiek.   De eerste voorwaarde waaraan moet zijn voldaan is het in beeld hebben van de doelgroep jeugdigen met een psychische stoornis die in aanmerking komen voor een Wlz-indicatie. Het is van belang om de omvang van de doelgroep helder in kaart te hebben en om zicht te hebben op de problematiek van deze jeugdigen en aan welke zorg zij behoefte hebben en hoe hierin kan worden voorzien. Zicht op de doelgroep voorkomt dat veel jeugdigen onterecht naar het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) worden doorverwezen.   Daarnaast moet de overheveling van deze jeugdigen van de Jeugdwet naar de Wlz voor alle betrokkenen uitvoerbaar zijn. Dat betekent dat er een zorgvuldige voorbereiding nodig is van zowel het CIZ als gemeenten, Wlz-uitvoerders en zorgaanbieders. De medewerkers van het CIZ dienen tijdig met de benodigde kennis en expertise toegerust te zijn, zorgkantoren moeten zorg inkopen bij voor hen onbekende jeugdzorgaanbieders en zorgaanbieders moeten contracten afsluiten met zowel gemeenten als zorgkantoren. Dit zijn grote uitvoeringsconsequenties. Daarom is overleg met de betrokken partijen noodzakelijk en is in dit amendement rekening gehouden met een nader te bepalen ingangstermijn.   Tot slot moeten ook de financiële consequenties van deze overheveling in kaart zijn gebracht. Het uitgangspunt is budgettaire neutraliteit. Dit betekent dat de gemeentelijke middelen vanuit het Jeugdwet-kader naar het Wlz-kader overgeheveld moeten worden, volgens het principe ‘geld volgt cliënt’.   De indieners zijn derhalve van mening dat jeugdigen niet op voorhand uitgesloten moeten worden. Als de effecten in kaart zijn gebracht, mede in relatie tot de evaluatie van de Jeugdwet, en deze geen belemmering vormen voor een zorgvuldige uitvoering, moet de doelgroep jeugdigen met een psychische stoornis door een koninklijk besluit, dat aan beide Kamers der Staten-Generaal is voorgelegd, op een nader te bepalen datum toegang kunnen krijgen tot de Wlz. Vanwege de ingangstermijn die in acht wordt genomen en de toegang nog op een nader te bepalen tijdstip gaat plaatsvinden voor de jeugdigen, wordt in dit bijzondere geval geregeld dat het koninklijk besluit waarmee de inwerkingtreding van artikel IA wordt geregeld, aan beide Kamers der Staten-Generaal moet worden voorgelegd. Het is belangrijk dat de indicatiestelling door het CIZ en de overdracht van cliënten zorgvuldig verloopt. Om die reden is in artikel IIA geregeld dat het CIZ al gaat indiceren voorafgaand aan het ontstaan van recht op zorg op grond van de Wlz voor jeugdigen. Artikel IIA zal eerder dan artikel IA in werking treden.   Bergkamp   Slootweg   De Lange   Voordewind
  Datum: 25 juni 2019   Nr: 35146-11   Indiener: Vera Bergkamp, Kamerlid D66   Voor:    ...   Tegen:  ...   Besluit:  ...   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Amendement van het lid Bergkamp c.s. 35146-16 t.v.v. 12 over toegang tot Wlz voor jeugdigen op nader te bepalen tijdstip

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:   I   Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, luidende:   ARTIKEL IA   Artikel 3.2.1, zesde lid, van de Wet langdurige zorg vervalt.   II   Na artikel II wordt een artikel ingevoegd, luidende:   ARTIKEL IIA   1. Het CIZ stelt voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel IA op aanvraag vast of een verzekerde als bedoeld in artikel 3.2.1, zesde lid, van de Wet langdurige zorg met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IA recht heeft op zorg vanwege een psychische stoornis.   2. Het CIZ verricht de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, op basis van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, zoals dat artikellid komt te luiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B.   3. Het CIZ stelt het recht op zorg, bedoeld in het eerste lid, vast in een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg waarvan de geldigheidsduur ingaat op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IA.   III   Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, luidende:   ARTIKEL IIIA   Indien een jeugdige als bedoeld in de eerste twee onderdelen van het begrip jeugdige van artikel 1.1 van de Jeugdwet ervoor kiest de zorg op grond van het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg, tot gelding te brengen met verblijf in een instelling, en hij voor inwerkingtreding van artikel IA reeds in een dergelijke instelling verblijft, spant de Wlz-uitvoerder zich ervoor in dat de verzekerde het verblijf in die instelling kan voortzetten.   IV   Artikel V wordt als volgt gewijzigd:   1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1” geplaatst.   2.Er wordt een lid toegevoegd, luidende:   2. De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt, indien het de inwerkingtreding van artikel IA betreft, niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.   Toelichting   Het wetsvoorstel regelt in artikel I een recht op toegang tot de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) voor mensen die vanwege een psychische stoornis een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Artikel I, onderdeel B, onderdeel 2, maakt hierop een uitzondering voor de jeugdige als bedoeld in de eerste twee onderdelen van het begrip jeugdige van artikel 1.1. van de Jeugdwet. Met dit amendement kunnen deze jeugdigen op een nader te bepalen datum toegang krijgen tot de Wlz, indien de effecten van deze overheveling in kaart zijn gebracht en deze geen belemmering vormen voor een zorgvuldige uitvoering hiervan.   De indieners zijn van mening dat de aandoening, beperking of stoornis van een persoon leidend zou moeten zijn als het gaat om de zorg die iemand nodig heeft, niet diens leeftijd. Daar een dergelijke uitzondering niet bestaat voor jeugdigen met een somatische of verstandelijke beperking, achten de indieners deze ook niet wenselijk voor jeugdigen met een psychische stoornis. De complexe psychische, en vaak meervoudige, problematiek, waar het bij deze jeugdigen om gaat, moet in zijn totaliteit worden bezien. Dit omdat psychische, verstandelijke en/of lichamelijke problemen vaak met elkaar zijn verweven of elkaar versterken. Op dit moment ontvangen deze jeugdigen hun zorg vanuit de Jeugdwet. Voor jeugdigen die bijna 18 jaar worden levert het veel onrust op om eerst een aanvraag bij de gemeente in te dienen en korte tijd later een Wlz-indicatie aan te vragen, zeker als duidelijk is dat de jeugdige aan de Wlz-criteria zal voldoen. Dit staat haaks op de behoefte aan continue en stabiele zorg voor deze jeugdigen met complexe psychische problematiek.   De eerste voorwaarde waaraan moet zijn voldaan is het in beeld hebben van de doelgroep jeugdigen met een psychische stoornis die in aanmerking komen voor een Wlz-indicatie. Het is van belang om de omvang van de doelgroep helder in kaart te hebben en om zicht te hebben op de problematiek van deze jeugdigen en aan welke zorg zij behoefte hebben en hoe hierin kan worden voorzien. Zicht op de doelgroep voorkomt dat veel jeugdigen onterecht naar het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) worden doorverwezen.   Daarnaast moet de overheveling van deze jeugdigen van de Jeugdwet naar de Wlz voor alle betrokkenen uitvoerbaar zijn. Dat betekent dat er een zorgvuldige voorbereiding nodig is van zowel het CIZ als gemeenten, Wlz-uitvoerders en zorgaanbieders. De medewerkers van het CIZ dienen tijdig met de benodigde kennis en expertise toegerust te zijn, zorgkantoren moeten zorg inkopen bij voor hen onbekende jeugdzorgaanbieders en zorgaanbieders moeten contracten afsluiten met zowel gemeenten als zorgkantoren. Dit zijn grote uitvoeringsconsequenties. Daarom is overleg met de betrokken partijen noodzakelijk en is in dit amendement rekening gehouden met een nader te bepalen ingangstermijn.   Tot slot moeten ook de financiële consequenties van deze overheveling in kaart zijn gebracht. Het uitgangspunt is budgettaire neutraliteit. Dit betekent dat de gemeentelijke middelen vanuit het Jeugdwet-kader naar het Wlz-kader overgeheveld moeten worden, volgens het principe ‘geld volgt cliënt’.   De indieners zijn derhalve van mening dat jeugdigen niet op voorhand uitgesloten moeten worden. Als de effecten in kaart zijn gebracht, mede in relatie tot de evaluatie van de Jeugdwet, en deze geen belemmering vormen voor een zorgvuldige uitvoering, moet de doelgroep jeugdigen met een psychische stoornis door een koninklijk besluit, dat aan beide Kamers der Staten-Generaal is voorgelegd, op een nader te bepalen datum toegang kunnen krijgen tot de Wlz. Vanwege de ingangstermijn die in acht wordt genomen en de toegang nog op een nader te bepalen tijdstip gaat plaatsvinden voor de jeugdigen, wordt in dit bijzondere geval geregeld dat het koninklijk besluit waarmee de inwerkingtreding van artikel IA wordt geregeld, aan beide Kamers der Staten-Generaal moet worden voorgelegd. Het is belangrijk dat de indicatiestelling door het CIZ en de overdracht van cliënten zorgvuldig verloopt. Om die reden is in artikel IIA geregeld dat het CIZ al gaat indiceren voorafgaand aan het ontstaan van recht op zorg op grond van de Wlz voor jeugdigen. Artikel IIA zal eerder dan artikel IA in werking treden.   Bergkamp   Slootweg   De Lange   Renkema   Agema
  Datum: 27 juni 2019   Nr: 35146-16   Indiener: Vera Bergkamp, Kamerlid D66   Voor:    ...   Tegen:  ...   Besluit:  ...   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Yesilgöz-Zegerius, Tielen en El Yassini over het bericht ‘TU Eindhoven stelt wetenschappelijke vacatures alleen open voor vrouwen’

Vragen van de leden Yeşilgöz-Zegerius, Tielen en El Yassini (allen VVD) aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht ‘TU Eindhoven stelt wetenschappelijke vacatures alleen open voor vrouwen’ (ingezonden 20 juni 2019)   1   Bent u bekend met het bericht ‘TU Eindhoven wil alleen vrouwen aannemen’? 1)   Ja.   2   Deelt u de mening dat bij het vervullen van wetenschappelijke vacatures de eerste prioriteit behoort te liggen bij de onderwijs- en onderzoekskwaliteit en -capaciteit en minder bij het geslacht van de medewerkers? Zo nee, waarom niet?   Voor kwalitatief goed wetenschappelijk onderzoek is samenkomst van verschillende perspectieven, achtergronden, oriëntaties en kennis een belangrijke randvoorwaarde. Meer variatie in visies en oplossingen resulteert in meer creativiteit en innovatie, betere resultaten en beter beleid. Het belang van diversiteit voor kwaliteit is daarmee evident, ook voor de TU Eindhoven (hierna TU/e). De TU/e neemt alleen excellent talent aan. Met het Irène Curie Fellowship haalt de TU/e talenten binnen die anders onvoldoende kans krijgen, door impliciete obstakels in diverse fasen van het wervingsproces.   3   Deelt u de mening dat er een verschil zit tussen enerzijds voorkeursbeleid en anderzijds uitsluiting op basis van geslacht, zoals de TU Eindhoven gaat doen? Zo nee, waarom niet?   Nee, voorkeursbeleid kent vele vormen. Aangezien de vacatures na zes maanden alsnog ook voor mannen opengesteld worden wanneer er geen geschikte kandidaten zijn gevonden, is er geen sprake van uitsluiting.   4   In hoeverre botst het voornemen van de TU Eindhoven om mensen van een bepaald geslacht uit te sluiten van sollicitatie met het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod uit artikel 1 van de Grondwet? Bent u bereid juridisch te laten toetsen of het beleidsvoornemen van de TU Eindhoven een vorm van arbeidsmarktdiscriminatie is? Zo nee, waarom niet?   Het is niet aan mij om te beoordelen of dit beleid van de TU/e aan alle strenge regels rond voorkeursbeleid voldoet. Het is aan andere instanties, zoals het College voor de Rechten van de Mens, om dat te beoordelen. Het College voor de Rechten van de Mens oordeelde in 2012 dat de TU Delft vacatures louter voor vrouwen mocht openstellen, omdat de achterstand van vrouwen er zo hardnekkig was en omdat het doel was gelijkheid te creëren.   5   Welke redenen benoemt de TU Eindhoven zelf voor het feit dat het de universiteit niet eerder gelukt is om het gewenste percentage vrouwelijke wetenschappelijk medewerkers te behalen? Wat is er volgens hen anders dan bij andere technische universiteiten of bètafaculteiten?   De situatie bij de TU/e is soortgelijk als bij andere technische universiteiten. Wel staan zij er t.a.v. percentage vrouwelijke wetenschappers nog slechter voor dan andere technische universiteiten. De TU Delft en Universiteit Twente staan op een 11e respectievelijk 12e plaats in de ranglijst van 14 universiteiten t.a.v. het percentage vrouwelijke hoogleraren. De TU Eindhoven staat op plaats 14.   De impliciete genderbias speelt hierin een belangrijke rol en zorgt ervoor dat het percentage vrouwelijke wetenschappers maar langzaam stijgt. De TU/e ziet dat regelingen zoals de fellowships goed werken bij de Rijksuniversiteit Groningen en de TU Delft en heeft deze daarom als referentiekader genomen.   6   Welke maatregelen zijn uitgeprobeerd, maar waren naar eigen zeggen te weinig effectief? Wat is daar de reden voor? Is daar onafhankelijk onderzoek naar gedaan? Zo ja, kunt u dat met de Kamer delen?   Uit navraag bij de TU/e blijkt dat alle maatregelen die in de afgelopen tien jaar zijn genomen door de TU/e tot meer bewustwording van het probleem hebben geleid en ook tot een (langzame) stijging van het percentage vrouwelijk wetenschappelijk personeel, maar dat dit te langzaam gaat om de gestelde streefcijfers te behalen. De Tu/e laat weten dat onderstaande maatregelen tot dusver door de TU/e zijn uitgetest en de effecten ervan onderzocht zijn door de Human Performance Management groep binnen de TU/e:   Iedere benoemingsadviescommissie moet minimaal twee vrouwelijke leden hebben.   1/3 van de shortlist moet uit vrouwen bestaan.   Proactief scouten door inzet van aanwezige hulpbronnen, zoals eigen personeel.   Streefcijfers worden halfjaarlijks besproken met het CvB en de decanen van de faculteiten.   Interfacultaire commissies opstarten met als doel om tot een meer objectieve selectie en beoordeling van kandidaten te komen. Deze leden zijn getraind in het herkennen van impliciete bias en hebben interventiemethoden aangereikt gekregen.   Er is een streefcijfer gesteld voor de positie van universitair docent van 50-50%. Van 2008 tot 2019 heeft slechts een langzame verhoging van 17% naar 29% vrouwelijke UD’s plaatsgevonden.   Faculteiten hebben in samenwerking met het CvB targets gesteld om de diversiteit binnen de faculteit te verhogen en daarbij de manier gespecificeerd hoe zij de targets zouden halen.   7   Bent u bekend met het Rathenau-onderzoek naar ‘vrouwen in de wetenschap’? 2)   Ja.   8   In hoeverre wijken de voor TU Eindhoven specifieke cijfers af van de hierin beschreven gemiddelde cijfers, als het gaat om het percentage vrouwen, de gemiddelde duur tussen promotie en hoogleraarschap, leeftijdsverschil bij aanstelling en vertrek, etc.?   Hieronder vindt u de tabel met het percentage vrouwelijk wetenschappelijk personeel per functiecategorie in 2017, met het landelijk gemiddelde en de cijfers van de TU/e. De cijfers van de gemiddelde duur tussen promotie en hoogleraarschap en leeftijdsverschil bij aanstelling en vertrek, zijn niet bekend en kan ik daarom niet aan u voorleggen.   Percentage vrouwelijk wetenschappelijk personeel per functiecategorie in 2017   Functiecategorie   Landelijk gemiddelde   TU/e   Hoogleraar   21%   13%   Universitair hoofddocent   29%   15%   Universitair docent   41%   27%   Overig wetenschappelijk personeel   44%   31%   Promovendus   43%   27%   9   Wat is het percentage Nederlandse vrouwen van het totaal aantal promovendi in technische vakgebieden dat is gepromoveerd in de jaren 1995-2010?   Onderstaande cijfers zijn afkomstig van het Rathenau Instituut. Het Rathenau Instituut baseert haar cijfers over promoties op cijfers van het CBS. In vrijwel de gehele vorige eeuw was het aandeel vrouwen bij de promoties op de instituten die nu onze technische universiteiten heten beperkt; het percentage lag tussen 0 en 10%. In 1994 kwam het percentage voor het eerst boven de 10% uit (11,3%) met 42 vrouwen en 331 mannen die promoveerden in de techniek. Daarna kwamen weer twee jaren van respectievelijk 9,3% (1995) en 9,7% (1996). De daaropvolgende jaren zijn de percentages verder gestegen.   Jaartal   Percentage vrouwelijke promovendi   1995   9,3%   1996   9,7%   1997   10,0%   1998   11,2%   1999   16,0%   1990   14,9%   2001   13,8%   2002   18,0%   2003   19,9%   2004   23,4%   2005   19,9%   2006   20,4%   2007   23,9%   2008   23,8%   2009   26,8%   2010   22,4%   Bij elkaar opgeteld zijn er in de periode van 1995-2010 7797 mensen gepromoveerd aan de technische universiteiten Delft, Eindhoven en Twente, waarvan 1439 vrouwen (18,5%). Aan de Wageningen University and Research ligt het absolute aantal vrouwelijke gepromoveerden in deze periode op 1317, het percentage vrouwelijke gepromoveerden is bijna het dubbele van dat van de technische universiteiten Delft, Eindhoven en Twente (35,8%).   10   Wat is op dit moment in potentie het aantal Nederlandse vrouwen dat universitair docent, universitair hoofddocent of hoogleraar kan zijn in een technisch vakgebied? Hoe verhoudt zich dit tot het aantal vacatures dat de TU Eindhoven voorziet?   Het aantal Nederlandse vrouwen dat in potentie UD, UHD of hoogleraar kan zijn is niet te zeggen, omdat dit met veel verschillende en vaak onmeetbare factoren samenhangt. Daarnaast is wetenschap per definitie internationaal: vacatures worden niet alleen door Nederlanders vervuld. Het aandeel buitenlandse wetenschappers is groot op technische universiteiten, groter nog dan bij andere universiteiten. Uit cijfers van 2015 blijkt dat 29% van de UD’s, UHD’s en hoogleraren van buitenlandse komaf is. Bij de promovendi en postdocs ligt het percentage op respectievelijk 60% en 59%.   11   Wat is de verwachting dat dit vacaturebeleid heeft op het aantal mannelijke sollicitanten?   Dit vacaturebeleid kan een tijdelijk effect hebben op het aantal mannelijke sollicitanten van buiten de TU/e of de eigen populatie van mannelijke postdoctoraal onderzoekers. Ik wijs erop dat de vacatures algemeen opengesteld worden als het binnen zes maanden niet lukt om een geschikte kandidaat te vinden.   12   In hoeverre is het realistisch dat de TU Eindhoven gebruik zal maken van de door de universiteit benoemde ‘uitzonderingsmogelijkheid voor uitzonderlijke talenten’?   Ik ga ervanuit dat de TU/e voldoende zicht heeft op wetenschappelijk toptalent om daar zelf een oordeel over te vellen. Ik vertrouw erop dat zij doen wat het beste is voor hun eigen personeelsbestand, waar ik niet over ga.   13   Verwacht u dat dit beleid een belemmerend effect heeft op het verruimen van de capaciteit van onderzoek en onderwijs op het gebied van technische wetenschappen in Nederland? Zo ja, op welke wijze bent u bereid in te grijpen als die hoognodige capaciteit onder druk komt te staan?   Nee, dit beleid draagt juist op de lange en korte termijn bij aan het verruimen van de capaciteit van onderzoek en onderwijs in de technische wetenschappen. Het aantrekken van vrouwelijk talent zorgt voor vrouwelijke rolmodellen. Die zijn hard nodig voor het groeiend aantal vrouwelijk studenten, zodat ook zij een carrière voor zichzelf zien in de technische wetenschappen.   Door middel van de sectorplannen is er extra geld vrijgekomen voor meer vaste banen voor wetenschappelijk personeel in de bèta en technische wetenschappen. Aangezien na zes maanden de onvervulde vacatures alsnog algemeen open worden gesteld is het enige risico dat er zes maanden een onvervulde vacature is. De TU/e is zich daar volledig van bewust.   14   Welke meer inclusieve maatregelen kan de TU Eindhoven nemen om het percentage vrouwelijke wetenschappelijke medewerkers te vergroten? In hoeverre bent u bereid de TU Eindhoven te stimuleren meer inclusieve maatregelen te nemen?   De TU/e heeft al vele inclusieve maatregelen uitgeprobeerd, zoals bij vraag 6 beschreven. Helaas heeft dit niet geleid tot het gewenste effect. Er is hier sprake van een pilot van 1,5 jaar. De TU/e laat de effecten van de pilot monitoren door het Rathenau Instituut. Ik volg met interesse de resultaten van de pilot. Nogmaals, ik ga niet over het personeelsbeleid van de universiteiten.   15   Gaat de TU Eindhoven ook een eventuele ‘onbalans’ in haar personeelsbestand repareren op basis van andere factoren dan geslacht, zoals het hebben van een beperking, leeftijd, politieke en ideologische voorkeur, afkomst of sociale klasse? Zo ja, kunt u deze beslissing en de maatregelen die de TU Eindhoven hiertoe neemt toelichten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat de TU Eindhoven de benoemde   ‘onbalans’ op basis geslacht belangrijker vindt?   De TU/e laat weten dat het zich met dit Irène Curie Fellowship alleen richt op de onbalans tussen mannen en vrouwen in de wetenschappelijk (kern) staf. De TU/e kijkt vanzelfsprekend niet naar politieke en ideologische voorkeur of sociale klasse bij het aanstellen van haar wetenschappelijk personeel. Op het gebied van afkomst, het hebben van een beperking, seksuele oriëntatie en leeftijd zijn op het moment geen extra maatregelen nodig. De populatie van TU/e-medewerkers bestaat uit 96 nationaliteiten en ook op het niveau van universitair docent, universitair hoofddocent en hoogleraar bestaat de populatie nog uit 40 nationaliteiten. Daarnaast bindt de TU/e mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan zich. De werkgroep en stuurgroep Participatiewet zetten zich hier voor in. Tevens heeft het Diversity Committee van de TU/e nauw contact met Compass, het netwerk van de TU/e voor de LGBTQ+ gemeenschap. Via het open kanaal met de LGBTQ+ proberen zij maatregelen te nemen die inclusie van LGBTQ+ bevorderen. Ten slotte heeft de medewerkerspopulatie van de TU/e een diverse leeftijdsopbouw. Binnen het Irène Curie Fellowship vallen vacatures voor zowel universitair docenten, universitair hoofddocenten en hoogleraren. Dit betekent automatisch dat ook verschillende leeftijdscategorieën worden aangesproken.   1) https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/17/tu-eindhoven-wil-alleen-nog-vrouwen-aannemen-a3964065   2)   https://www.rathenau.nl/nl/wetenschap-cijfers/wetenschappers/vrouwen-de-wetenschap/vrouwen-de- wetenschap  
  Datum: 10 juli 2019   Nr: 2019D30656   Indiener: I.K. van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Het bericht 'Opvallend banenverlies binnen de banenafspraak'

Vragen van het lid Peters (CDA) aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het bericht 'opvallend banenverlies binnen banenafspraak' (ingezonden 9 augustus 2019)   1. Heeft u kennisgenomen van de tussentijdse rapportage van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) over de doelstelling om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen? 1) 2. Wat is uw reactie op de constatering van het UWV dat er in vergelijking met het voorgaande kwartaal een netto banenverlies is van 1.411 banen? Bent u het eens dat dit niet de bedoeling kan zijn? 3. Hoe verklaart u dit verlies aan banen voor mensen met een arbeidsbeperking? 4. In hoeverre is er een verband met de uitstroom uit de banenafspraak naar beschut werk? Hoe groot is deze uitstroom precies? 5. Wat betekent dit banenverlies binnen de banenafspraak per saldo voor de werkgelegenheid van mensen met een beperking? 6. Constaterende dat er sinds de nulmeting in 2012 tot nu toe 51.978 banen voor mensen met een beperking binnen de banenafspraak gecreëerd zijn, bent u bereid om op korte termijn in overleg te gaan met de sociale partners om ervoor te zorgen dat de afspraak om eind dit jaar 55.000 banen te realiseren, wordt gehaald? 1) Binnenlandsbestuur.nl, 30 juli 2019 (https://m.binnenlandsbestuur.nl/nieuws/opvallend-banenverlies-binnen- banenafspraak.237230.lynkx)
  Datum: 9 augustus 2019   Nr: 2019Z15619   Indiener: René Peters, Kamerlid CDA   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Amendement van het lid Bergkamp c.s. 35146 nr. 12 t.v.v. nr. 11 over toegang tot Wlz voor jeugdigen op nader te bepalen datum

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:   I   Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, luidende:   ARTIKEL IA   Artikel 3.2.1, zesde lid, van de Wet langdurige zorg vervalt.   II   Na artikel II wordt een artikel ingevoegd, luidende:   ARTIKEL IIA   1. Het CIZ stelt voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel IA op aanvraag vast of een verzekerde als bedoeld in artikel 3.2.1, zesde lid, van de Wet langdurige zorg met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IA recht heeft op zorg vanwege een psychische stoornis.   2. Het CIZ verricht de vaststelling, bedoeld in het eerste lid, op basis van artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg, zoals dat artikellid komt te luiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel B.   3. Het CIZ stelt het recht op zorg, bedoeld in het eerste lid, vast in een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg waarvan de geldigheidsduur ingaat op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IA.   III   Na artikel III wordt een artikel ingevoegd, luidende:   ARTIKEL IIIA   Indien een jeugdige als bedoeld in de eerste twee onderdelen van het begrip jeugdige van artikel 1.1 van de Jeugdwet ervoor kiest de zorg op grond van het indicatiebesluit, bedoeld in artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg, tot gelding te brengen met verblijf in een instelling, en hij voor inwerkingtreding van artikel IA reeds in een dergelijke instelling verblijft, spant de Wlz-uitvoerder zich ervoor in dat de verzekerde het verblijf in die instelling kan voortzetten.   IV   Artikel V wordt als volgt gewijzigd:   1. Voor de tekst wordt de aanduiding “1” geplaatst.   2.Er wordt een lid toegevoegd, luidende:   2. De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt, indien het de inwerkingtreding van artikel IA betreft, niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.   Toelichting   Het wetsvoorstel regelt in artikel I een recht op toegang tot de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) voor mensen die vanwege een psychische stoornis een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Artikel I, onderdeel B, onderdeel 2, maakt hierop een uitzondering voor de jeugdige als bedoeld in de eerste twee onderdelen van het begrip jeugdige van artikel 1.1. van de Jeugdwet. Met dit amendement kunnen deze jeugdigen op een nader te bepalen datum toegang krijgen tot de Wlz, indien de effecten van deze overheveling in kaart zijn gebracht en deze geen belemmering vormen voor een zorgvuldige uitvoering hiervan.   De indieners zijn van mening dat de aandoening, beperking of stoornis van een persoon leidend zou moeten zijn als het gaat om de zorg die iemand nodig heeft, niet diens leeftijd. Daar een dergelijke uitzondering niet bestaat voor jeugdigen met een somatische of verstandelijke beperking, achten de indieners deze ook niet wenselijk voor jeugdigen met een psychische stoornis. De complexe psychische, en vaak meervoudige, problematiek, waar het bij deze jeugdigen om gaat, moet in zijn totaliteit worden bezien. Dit omdat psychische, verstandelijke en/of lichamelijke problemen vaak met elkaar zijn verweven of elkaar versterken. Op dit moment ontvangen deze jeugdigen hun zorg vanuit de Jeugdwet. Voor jeugdigen die bijna 18 jaar worden levert het veel onrust op om eerst een aanvraag bij de gemeente in te dienen en korte tijd later een Wlz-indicatie aan te vragen, zeker als duidelijk is dat de jeugdige aan de Wlz-criteria zal voldoen. Dit staat haaks op de behoefte aan continue en stabiele zorg voor deze jeugdigen met complexe psychische problematiek.   De eerste voorwaarde waaraan moet zijn voldaan is het in beeld hebben van de doelgroep jeugdigen met een psychische stoornis die in aanmerking komen voor een Wlz-indicatie. Het is van belang om de omvang van de doelgroep helder in kaart te hebben en om zicht te hebben op de problematiek van deze jeugdigen en aan welke zorg zij behoefte hebben en hoe hierin kan worden voorzien. Zicht op de doelgroep voorkomt dat veel jeugdigen onterecht naar het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) worden doorverwezen.   Daarnaast moet de overheveling van deze jeugdigen van de Jeugdwet naar de Wlz voor alle betrokkenen uitvoerbaar zijn. Dat betekent dat er een zorgvuldige voorbereiding nodig is van zowel het CIZ als gemeenten, Wlz-uitvoerders en zorgaanbieders. De medewerkers van het CIZ dienen tijdig met de benodigde kennis en expertise toegerust te zijn, zorgkantoren moeten zorg inkopen bij voor hen onbekende jeugdzorgaanbieders en zorgaanbieders moeten contracten afsluiten met zowel gemeenten als zorgkantoren. Dit zijn grote uitvoeringsconsequenties. Daarom is overleg met de betrokken partijen noodzakelijk en is in dit amendement rekening gehouden met een nader te bepalen ingangstermijn.   Tot slot moeten ook de financiële consequenties van deze overheveling in kaart zijn gebracht. Het uitgangspunt is budgettaire neutraliteit. Dit betekent dat de gemeentelijke middelen vanuit het Jeugdwet-kader naar het Wlz-kader overgeheveld moeten worden, volgens het principe ‘geld volgt cliënt’.   De indieners zijn derhalve van mening dat jeugdigen niet op voorhand uitgesloten moeten worden. Als de effecten in kaart zijn gebracht, mede in relatie tot de evaluatie van de Jeugdwet, en deze geen belemmering vormen voor een zorgvuldige uitvoering, moet de doelgroep jeugdigen met een psychische stoornis door een koninklijk besluit, dat aan beide Kamers der Staten-Generaal is voorgelegd, op een nader te bepalen datum toegang kunnen krijgen tot de Wlz. Vanwege de ingangstermijn die in acht wordt genomen en de toegang nog op een nader te bepalen tijdstip gaat plaatsvinden voor de jeugdigen, wordt in dit bijzondere geval geregeld dat het koninklijk besluit waarmee de inwerkingtreding van artikel IA wordt geregeld, aan beide Kamers der Staten-Generaal moet worden voorgelegd. Het is belangrijk dat de indicatiestelling door het CIZ en de overdracht van cliënten zorgvuldig verloopt. Om die reden is in artikel IIA geregeld dat het CIZ al gaat indiceren voorafgaand aan het ontstaan van recht op zorg op grond van de Wlz voor jeugdigen. Artikel IIA zal eerder dan artikel IA in werking treden.   Bergkamp   Slootweg   De Lange   Renkema
  Datum: 25 juni 2019   Nr: 35146-12   Indiener: Vera Bergkamp, Kamerlid D66   Voor:    ...   Tegen:  ...   Besluit:  ...   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Beckerman over het opkopen van huizen om duur te verhuren in studentensteden

Vragen van het lid Beckerman (SP) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het opkopen van huizen om duur te verhuren in studentensteden. (ingezonden 4 juni 2019)   Vraaq 1: Kent u het bericht dat in Groningen zeven op de tien te koop staande woningen worden opgekocht door particuliere beleggers, waar starters en sociale huurders de dupe van zijn? 1) Wat is uw reactie daarop?   Antwoord: Ja. Aanleiding voor het bericht is recent onderzoek van het Kadaster ‘Kopen om te verhuren’[1]. Dit onderzoek laat zien dat in de meeste grote steden en studentensteden het aantal particuliere huurwoningen[2] is toegenomen. De toename is in Groningen met 1,8% van de woningvoorraad het sterkste. In het bericht wordt een relatie gelegd tussen de activiteiten van beleggers, de positie van koopstarters en een teruglopende corporatievoorraad.   Een directe relatie tussen de activiteiten van beleggers en een dalende voorraad corporatiewoningen zie ik niet. De ontwikkeling van de corporatievoorraad is afhankelijk van het saldo van nieuwbouw, sloop en verkoop van woningen. Corporaties bepalen zelf of zij woningen verkopen. Het merendeel van de verkochte woningen komt bij eigenaar-bewoners terecht.   Het Kadaster concludeert in de tegelijk gepubliceerde onderzoeksspecial ‘Koopstarters en particuliere investeerders in studentensteden’[3] dat koopstarters en beleggers slechts in beperkte mate met elkaar concurreren, omdat deze twee groepen zich op verschillende woningsegmenten richten. In Groningen richten zowel beleggers als starters zich veelal op appartementen, maar zijn starters ook erg geïnteresseerd in rijwoningen (in 42 procent van de gevallen). In het segment van appartementen tot 80 m² lijken starters de meeste concurrentie te ervaren van investeerders. Om meer inzicht te krijgen in de gevolgen van particuliere beleggers op de woningmarkt, onderzoek ik samen met onder andere het Kadaster en de Amsterdam Business School Finance Group in hoeverre sprake is van een prijseffect op woningen door de toenemende activiteit van particuliere beleggers in stedelijke gebieden. Hierbij wordt ook specifiek naar de Groningen gekeken. Wanneer er sprake is van een positief prijseffect kan dit een aanwijzing zijn voor de verdringing van starters van de woningmarkt, en voor andere risico’s. De uitkomsten van dit onderzoek worden deze zomer verwacht. Vraag 2: Kunt u reageren op de bevindingen van De Groene Amsterdammer, Dagblad van het Noorden en Tubantia inzake de rol van particuliere beleggers in universiteitssteden, beschreven in het artikel ‘Gipsplaten plus wc erin en je hebt een cashcow’? 2)   Antwoord: In aanvulling op het onder vraag 1 genoemde bericht maakt De Groene Amsterdammer een schets van de groep particulieren beleggers. Het bericht laat zien dat er veel verschillende type beleggers zijn. Het kan gaan om particulieren die een woning voor een kind willen kopen, mensen die via deze weg pensioen opbouwen voor later, of het zien als een alternatief voor de lage spaarrente. Het kan daarbij gaan om particulieren die alleen een tweede woning kopen tot de meer zakelijke beleggers die al veel panden in bezit hebben. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft recent onderzocht dat in 2018 verreweg de meeste particuliere beleggers één woning in de verhuur hebben. De verschillende particuliere beleggers kunnen verschillende kenmerken en motieven hebben. Ik wil hier meer inzicht in krijgen met het onderzoek dat ik momenteel door het CBS en het Kadaster laat uitvoeren naar de eigendomsmutaties in de woningvoorraad, waarbij ook wordt ingegaan op de kenmerken van particuliere verhuurders. Tussen deze beleggers zitten mensen die zich fatsoenlijk gedragen en investeerders die excessief gedrag vertonen. Excessief gedrag moet worden aangepakt.   Vraag 3: Wat gaat u doen aan de gesignaleerde lokale vastgoedbaronnen, waardoor starters die op zoek naar een eerste koophuis er in alle universiteitssteden steeds minder aan te pas komen?   Antwoord: Op verschillende plekken in het land knelt de woningmarkt, wat leidt tot onwenselijke situaties. Zo is er een tekort aan middenhuurwoningen, voornamelijk in de stedelijke gebieden. Deze woningen zijn hard nodig voor mensen met een flexibele woonvraag, waaronder ook starters. Beleggers kunnen juist in dit segment woningen toevoegen en bijdragen aan een leefbare woonomgeving. Helaas zijn er ook beleggers die zich niet fatsoenlijk gedragen. Deze moeten aangepakt worden en daar zet ik mij ook voor in. Hiervoor werk ik onder andere samen met stakeholders aan de aanpak Goed Verhuurderschap. In het geval dat bestaande koopwoningen worden opgekocht, is er een risico dat starters hierdoor minder makkelijk een passende koopwoning vinden. Dit is een serieus risico en verdient aandacht. Ik wil dan ook meer inzicht krijgen in de gevolgen van beleggers op de woningmarkt. In dat kader onderzoek ik samen met onder andere het Kadaster en de Amsterdam Business School Finance Group in hoeverre sprake is van een prijseffect op woningen door de toenemende activiteit van particuliere beleggers in stedelijke gebieden. De uitkomsten van dit onderzoek worden deze zomer verwacht.   Vraag 4: Bent u bereid om voor vastgoedbazen een maximum aantal panden in te voeren die hij/ zij in bezit mag hebben? Zo nee, waarom niet?   Antwoord: Nee, want het gaat niet zozeer om de hoeveelheid panden die een eigenaaverhuurder bezit maar de wijze hoe hij deze panden verhuurt. Bovendien zou een dergelijke regeling een verregaande inbreuk zijn op het recht op het ongestoord genot van de eigendom, het recht op het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid tot het ontvangen en aanbieden van diensten. Ik acht zo een beperking van een grondrecht niet te rechtvaardigen. Vraag 5: Waarom bent u nog niet overgegaan tot het instellen van een woonplicht/ zelfbewoningsplicht, waar al goede ervaringen mee zijn opgedaan in steden met grote woningnood?   Antwoord: Gemeenten hebben voor nieuwbouw al mogelijkheden om een zelfbewoningsplicht toe te passen. Gemeenten kunnen gebruik maken van hun privaatrechtelijke bevoegdheden als eigenaar van de grond en via erfpachtvoorwaarden of gebruik maken van een anterieure overeenkomst een zelfbewoningsplicht afdwingen. Momenteel is het niet mogelijk om een zelfbewoningsplicht in te voeren in de bestaande bouw. Een aantal gemeenten geeft aan wel interesse te hebben in deze verdergaande bevoegdheid. Een generieke zelfbewoningsplicht in de bestaande bouw is een ingrijpend instrument. Ik heb dan ook bedenkingen bij de proportionaliteit van dit instrument. Toch verken ik, mede in het kader van de motie Dik-Faber[4], de (on)mogelijkheden van een zelfbewoningsplicht in de bestaande bouw.   Vraag 6: Wat is de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de door de Kamer aangenomen motie-Dik-Faber (Kamerstuk 32847, nr. 498) die oproept juridische belemmeringen voor gemeenten weg te nemen om koopwoningen te beschermen, waarbij de mogelijkheid van een zelfbewoningsplicht bij bestaande koopwoningen als mogelijkheid wordt genoemd?   Antwoord: Mede in het kader van de motie Dik-Faber, verken ik de (on)mogelijkheden van een woonplicht in de bestaande bouw. Hierbij heb ik oog voor het eigendomsrecht, het recht op vrijheid van vestiging en vrije verkeer van kapitaal. Een aantal gemeenten heeft aangegeven opzoek te zijn naar een instrument als de zelfbewoningsplicht in de bestaande bouw. Ik vind het dan ook belangrijk om gemeenten nauw te betrekken bij de verkenning van dit mogelijke instrument. Met een aantal gemeenten heb ik al gesprekken gevoerd over deze vorm van een zelfbewoningsplicht en het uitzoekwerk dat nog gedaan moet worden.   Vraag 7: Bent u al bereid de overdrachtsbelasting voor particuliere beleggers te verhogen, zodat het opkopen van panden met een prijsopdrijvend effect op de koop- en huurmarkt wordt ontmoedigd? Zo nee, waarom niet? 4)   Antwoord: Ik vind het belangrijk dat de Nederlandse woningmarkt toegankelijk en betaalbaar is. Ik begrijp het idee van het verhogen van de overdrachtsbelasting voor beleggers, maar betwijfel of dit een geschikt instrument is om de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de Nederlandse woningmarkt te vergroten. Het is namelijk aannemelijk dat de verhuurder de hogere overdrachtsbelasting doorbelast naar de huurder in de vorm van hogere huren. Wel heb ik uw Kamer, mede in het kader van de motie Dik- FabeRonnes[5], reeds toegezegd om samen met de staatssecretaris van Financiën te verkennen of een differentiatie van de overdrachtsbelasting voor starters en voor beleggers op een doelmatige, doeltreffende en uitvoerbare wijze mogelijk is. Hierbij wordt gekeken naar een gedifferentieerde overdrachtsbelasting, waarbij starters een vrijstelling krijgen en beleggers vanaf de derde woning te maken krijgen met een hoger tarief. Over de uitkomsten van dit onderzoek zal ik uw Kamer informeren.   Vraag 8: Op welke andere manieren gaat u ervoor zorgen dat andere gemeenten niet ten prooi vallen aan vastgoedbazen en de uitwassen van particuliere beleggers, aangezien banken al andere gemeenten promoten om in vastgoed te beleggen? 5)   Antwoord: In deze discussie vind ik het belangrijk om niet alle beleggers over één kam te scheren. Zo kunnen beleggers bijdragen aan een goed functionerend middenhuursegment en daarmee een toegevoegde waarde zijn voor de maatschappij. Tegelijkertijd wil ik beleggers die excessief en speculatief gedrag vertonen tegengaan. Gemeenten hebben al verschillende mogelijkheden om te sturen op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van de woningvoorraad. Bij nieuwbouw kunnen zij bijvoorbeeld korting bieden op de grondprijs voor de bouw van sociale huur en woningen bestemmen voor middenhuur. Ik roep gemeenten dan ook op om de mogelijkheden die er zijn optimaal te benutten. Dat betekent niet dat ik stilzit. Ook ik zet mij in om onfatsoenlijke beleggers te weren. Zo ben ik bezig met het uitwerken van de noodknop, waarmee excessieve huren kunnen worden aangepakt.   Vraag 9: Wat is uw oordeel over deze activiteiten van banken, die niet in het belang zijn van de gehele maatschappij omdat sociale huurders en starters de dupe worden en deze banken vooral bezig zijn met de belangen van mensen die het geld hebben om te beleggen in vastgoed? Wat gaat u hieraan doen?   Antwoord: In het voorgaande heb ik aangegeven dat ik het belangrijk vind om niet alle beleggers over één kam te scheren. De conclusie dat de financiering van een woning als belegging op zichzelf problematisch is deel ik niet. Mijn focus ligt op het gericht tegengaan van beleggers die excessief en speculatief gedrag vertonen.   Vraag 10: Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden en niet clusteren?   Antwoord: Ja.   1. https://www.dvhn.nl/groningen/Particuliere-beleggers-kopen-Groningen- op-starters-en-sociale-huurders-hebben-het-nakijken-24501001.html 2. https://www.groene.nl/artikel/gipsplaten-plus-wc-erin-en-je-hebt-een- cashcow 3. Motie Dik-Faber c.s. https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019Z05045&did=2019D1 0486 4. Debat over het opkopen van huizen door beleggers, 13 maart 2019 5. https://insights.abnamro.nl/2019/05/kijk-voor-vastgoed-verder-dan-de- grote-steden   [1] Kadaster (2019), Kopen om te verhuren, 29 mei 2019. [2] Een particuliere huurwoning wordt door het Kadaster gedefinieerd als een woning die verhuurd worden door een eigenaar met minimaal drie woningen. [3] Kadaster (2019), Koopstarters en particuliere investeerders in studentensteden, mei 2019. [4] Kamerstuk 32 847, nr. 498 [5] Kamerstuk 32 847, nr. 504
  Datum: 28 juni 2019   Nr: 2019D28237   Indiener: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Beckerman over het grote tekort aan sociale huurhuizen

Vragen van het lid Beckerman (SP) aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het grote tekort aan sociale huurhuizen. (ingezonden 29 maart 2019)   1)   Kent u het bericht en de oproep van Federatie Opvang dat het ‘tekort sociale huurwoningen is zo groot dat er een deltaplan nodig is'? 1) Wat is uw reactie daarop?     Ja, dat bericht is mij bekend.   2)   Hoe gaat u ervoor zorgen dat er snel structureel meer betaalbare, sociale huurhuizen komen, zonder dat de kwaliteit van de huizen achteruit gaat en zonder dat er wordt getornd aan huurdersrechten?     Het is belangrijk om een woning te hebben. In alle segmenten zijn momenteel tekorten, op lokaal niveau verschillen die sterk. Het woningtekort in Nederland heeft dan ook mijn bijzondere aandacht. Ik ben daarom volop bezig met maatregelen op alle terreinen van de woningmarkt. Ik pak de samenwerking met anderen op daar waar die het meest effectief is: regionaal, sectoraal en thematisch. Het gaat daarbij om maatregelen en afspraken die zich richten op het bouwen van meer woningen, maar zeker ook maatregelen die bijdragen aan de betaalbaarheid. Zo werk ik aan de uitvoering van de Nationale Woonagenda, woondeals in gebieden met de meeste druk op de woningmarkt, een stimuleringsaanpak flexwonen om te zorgen voor meer tijdelijke woonruimte komt voor spoedzoekers (conform motie Ronnes c.s.), het Actieplan Dak- en Thuisloze Jongeren, de Meerjarenagenda Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang, het Actieplan Studentenhuisvesting, de Actie-agenda Vakantieparken, uitwerking van de aanbevelingen van de Samenwerkingstafel middenhuur, de actielijn Wonen en Zorg uit Programma Langer Thuis, en de evaluatie van de herziene Woningwet. Bovendien maak ik vaart met de uitwerking van afspraken uit het Sociaal Huurakkoord dat Aedes en de Woonbond met elkaar sloten. Daarmee hebben huurders de komende jaren meer zekerheid over de betaalbaarheid van hun woning.   Uiteindelijk ben ik niet degene die woningen bouwt, daar staan andere partijen voor aan de lat. Specifiek voor sociale huurwoningen gebeurt er al veel. Zo heeft Aedes in haar Woonagenda de ambitie uitgesproken om 30.000 woningen per jaar te bouwen en sloot zij met de Woonbond het Sociaal Huurakkoord om de betaalbaarheid van huurwoningen te borgen.   3)   Hoe gaat u ervoor zorgen dat de norm blijft dat mensen een vast en geen tijdelijk huurcontract hebben aangezien u en een deel van de Kamer ‘flexwonen’ wil stimuleren?   Voor mij is de norm dat het voor iedereen bereikbaar moet zijn om prettig en betaalbaar te wonen, ook als je met spoed een woning nodig hebt en nergens anders terecht kunt omdat je bijvoorbeeld onvoldoende inschrijftijd hebt opgebouwd. Flexwonen biedt voor spoedzoekers een uitkomst, al is dat maar voor een bepaalde periode. Het zorgt ervoor dat je snel een dak boven je hoofd hebt en niet verder in problemen terecht komt na bijvoorbeeld een scheiding, ziekte of ontslag. Daarmee heeft de woningzoekende tijd, rust en ruimte om een volgende stap voor te bereiden.     4)   Waar moeten bewoners van een tijdelijke woning naar toe als hun huurcontract afloopt maar er geen andere beschikbare en betaalbare woning is?     Bij het hanteren van tijdelijke huurcontracten is het perspectief op andere woonruimte na afloop van het huurcontract erg belangrijk. Het verschilt per regio en ook per woningzoekende hoe dat perspectief eruitziet en welke aanvullende acties daarvoor vanuit de verhuurder of de huurder nodig zijn. In de meeste woningmarktregio’s is het geen probleem om na afloop van een tijdelijk huurcontract van bijvoorbeeld twee (maximumduur tijdelijke overeenkomst voor zelfstandige woningen) of vijf jaar (maximumduur voor tijdelijke overeenkomst van onzelfstandige woonruimte) voor reguliere woonruimte in aanmerking te komen. Sommige spoedzoekers stromen op eigen initiatief na verloop van tijd uit naar een koopwoning of huurwoning in de vrije sector. Andere woningzoekenden hebben meer hulp nodig en worden daar vaak vanuit een flexibele woonoplossing bij geholpen. Veel gemeenten hebben er bovendien voor gekozen om de al opgebouwde wachttijd in het woonruimteverdeelsysteem niet te laten vervallen bij het aanvaarden van een flexibele woonoplossing met een tijdelijk contract. Zeker in kraptegebieden is dit een belangrijke maatregel.   Overigens is voor mij juist het bieden van perspectief voor spoedzoekers een belangrijke reden om in te zetten op flexwonen. Daarmee kunnen onwenselijke woonsituaties of dakloosheid voorkomen worden. Op maatschappelijk niveau kunnen we de kosten voor opvang en handhaving terugdringen en tegelijkertijd verloedering tegengaan door transformatie van leegstaande gebouwen naar flexwonenoplossingen.   5)   Hoe verhoudt uw beleid om de verkoop van sociale huurhuizen te stimuleren zich tot het tekort aan minstens 80 duizend sociale huurwoningen? Bent u bereid uw beleid te herzien en de verkoop aan derden, met name particuliere beleggers, te stoppen?   Beslissingen om sociale huurwoningen te verkopen worden door de corporatie gemaakt in overleg met de gemeente en de huurdersorganisatie. De omvang van de benodigde voorraad aan sociale huurwoningen, de samenstelling daarvan en de spreiding over de wijken zijn bij uitstek onderwerpen die aan bod komen in het overleg tussen corporatie, gemeente en huurdersorganisatie in het kader van het maken van prestatieafspraken. Dan zal ook blijken of er een overschot is aan bepaalde (typen) woningen, waarbij verkoop een optie is, en een tekort aan andere. Bij de vertaling hiervan naar de prestatieafspraken kan worden vastgelegd hoe groot de omvang van de sociale woningvoorraad moet zijn en/of welke woningen verkocht kunnen worden. Dit biedt een waarborg dat de sociale woningvoorraad van de gewenste grootte en samenstelling is. De opbrengsten van de verkopen kunnen worden aangewend voor de volkshuisvestelijke opgaven van de corporatie, waaronder nieuwbouw.   De verkoopregels worden in zoverre vereenvoudigd dat de thans voorgeschreven gemeentelijke zienswijze op verkopen kan vervallen indien er prestatieafspraken zijn gemaakt zoals hiervoor beschreven. Zijn deze prestatieafspraken er niet, dan blijft een gemeentelijke zienswijze verplicht. Overigens geldt deze regeling alleen voor potentieel te liberaliseren woningen, voor blijvend gereguleerde woningen blijft een zienswijze van de gemeente en van de huurdersorganisatie verplicht. Gegeven deze waarborgen is er geen reden om verkopen, waaronder verkopen aan beleggers, te stoppen.     6)   Zijn er nog steeds op korte termijn 10 duizend huurhuizen nodig of is dit aantal inmiddels gegroeid, omdat Federatie Opvang, GGZ Nederland en de RIBW Alliantie al in 2016 meldden dat er snel 10 duizend extra woningen nodig waren voor doelgroepen uit opvang en ggz? Wat heeft u sinds die oproep gedaan om mensen uit de maatschappelijke opvang en de ggz aan een betaalbaar huis te helpen? 2)   Hoeveel woningen precies op landelijk niveau nodig zijn voor mensen die door de ambulantisering van de ggz, het beschermd wonen en de maatschappelijk opvang zelfstandig (begeleid) gaan wonen is niet bekend. De vraag naar woningen met bijbehorende randvoorwaarden als passende begeleiding is een opgave die van regio tot regio verschilt en lokaal moet worden opgepakt. Gemeenten kijken hierbij breder dan alleen deze doelgroepen. Bij het door BZK en VWS gefinancierde kennis- en experimentenprogramma “Langer Thuis” van Platform31 wordt gekeken naar goede voorbeelden om de lokale opgave met betrekking tot wonen en zorg van gemeenten in beeld te brengen. In dat kader wordt ook een landelijke uitvraag gedaan bij gemeenten, naar of zij de opgave in beeld hebben voor specifieke doelgroepen zoals ouderen en doorstroom uit maatschappelijk wonen en beschermd wonen, en hoe groot die opgave is.   De staatssecretaris van VWS en ik stimuleren onder andere via de Nationale woonagenda en de Meerjarenagenda Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang dat gemeenten, corporaties, en huurdersorganisaties, bij voorkeur samen met zorgaanbieders en het sociaal domein, (prestatie)afspraken te maken over het beschikbaar maken van woonruimte voor mensen die uitstromen uit intramurale voorzieningen naar de wijk. In het kader van de Meerjarenagenda is bestuurlijk afgesproken dat regio’s in 2019 concrete uitvoeringsafspraken maken over de uitstroom uit beschermd wonen en maatschappelijke opvang, waaronder over het realiseren van voldoende beschikbare en betaalbare wooneenheden en een breed arsenaal van woonvarianten.   In recent onderzoek geeft 72% van de ondervraagde corporaties aan afspraken te hebben voor de directe bemiddeling van dergelijke groepen naar zelfstandige huisvesting.   Het is belangrijk om niet alleen afspraken over passende en de betaalbare huisvesting en de ontwikkeling van een scala aan diverse woonvormen te maken, maar juist ook over afspraken te maken over de noodzakelijke randvoorwaarden, zoals op- en afschaalbare begeleiding, spreiding over buurten, weten waar partijen terecht kunnen bij woonoverlast, het op orde krijgen van schulden, en een zachte landing van mensen in de wijk. In het kader hiervan ondersteunt het Rijk de uitbreiding van actieprogramma “Weer Thuis!” van initiatiefnemers VNG, Aedes, Federatie Opvang, Leger des Heils en de RIBW Alliantie met 10 extra regio’s. Bovendien is er vanuit het door BZK en VWS ondersteunde programma ‘Weer Thuis in de Wijk’ bij Platform31 een reeks aan relevante publicaties en leerkringen opgeleverd die lokale partijen helpen bij het in kaart brengen van de lokale opgave en het vormgeven van een goed samenwerkingsproces.   7)   Waar kunnen mensen terecht die urgent een woning nodig hebben, zoals mensen van wie hun relatie stuk loopt en zij toevallig wonen in een regio waar er woningnood heerst?     Mensen die urgent een woning nodig hebben in een regio waar schaarste is, kunnen afhankelijk van hun (financiële) mogelijkheden zelf woonruimte op de woningmarkt zoeken. Wanneer dat niet in de eigen regio mogelijk is, vergroot het de slagingskansen om het zoekgebied te vergroten.   Afhankelijk van het lokale beleid kunnen woningzoekenden in aanmerking komen voor een urgentieverklaring. Gemeenten kunnen dit verankeren in een huisvestingsverordening. In gemeenten zonder huisvestingsverordening beslissen corporaties zelf welke groepen in aanmerking kunnen komen voor urgentie.   Het verlenen van urgentie aan specifieke doelgroepen is een verdeling van schaarste op de woningmarkt. Het spreekt voor zich dat naarmate gemeente meer groepen aan urgentieregelingen toevoegt, deze aan kracht inboeten. In geval van schaarste is het daarnaast verstandig om lokaal de woningbouwplannen af te stemmen op de kwalitatieve woningbehoefte, zowel op de lange als de korte termijn. Naast reguliere huur- en koopwoningen kan ook een meer flexibele woningvoorraad helpen om mensen snel van een woning te voorzien. Met de stimuleringsaanpak Flexwonen zal het Rijk gemeenten en andere betrokken bij de totstandkoming van meer flexibele en tijdelijke woningen ondersteunen, conform motie Ronnes c.s. over een noodplan woningbouw. Daarmee wordt voorkomen dat groepen mensen hun toevlucht zoeken tot (informele) woonoplossingen die minder geschikt zijn, zoals het wonen op vakantieparken en jachthavens.   8)   Kunt u schematisch aangeven hoe u de tien aangenomen moties over het aanpakken van de woningnood onder met name kwetsbare groepen heeft uitgevoerd, per motie? Kunt u aangeven hoeveel extra betaalbare huurwoningen er bij zijn gekomen tussen 2015 en 2019 of vindt u dat de moties niet voldoende of naar behoren zijn uitgevoerd? 3)   Hieronder treft u een schema met verwijzing naar de stukken waarin de uitvoering van de betreffende moties is toegelicht.   Motie   Motienummer   Afgedaan   Berckmoes-Duindam c.s.   TK 2014-2015, 29 325 nr. 71   TK 2015-2016, 29 325, nr. 74   Voortman   TK 2015-2016, 34 300-XVIII, nr. 29   TK 2015-2016, 32 847, nr. 228   Bashir   TK 2015-2016, 19 637, nr. 2100   TK 2015-2016, 32 847, nr. 228   Berckmoes-Duindam c.s.   TK 2015-2016, 29 325, nr. 76   TK 2015-2016, 32 847, nr. 228   De Vries   TK 2015-2016, 32 847, nr. 230   TK 2016-2017, 32 847, nr. 294   Ronnes   TK 2016-2017, 29 453, nr. 444   TK 2018-2019, 32 847, nr. 428   Dik-FabeVoortman   TK 2017-2018, 34 775-XVIII, nr. 33   TK 2018-2019, 32 847, nr. 428   Koerhuis/Dik-Faber   TK 2017-2018, 32 847, nr. 396   Loopt mee in halfjaarlijkse rapportage over plancapaciteit   Ronnes c.s.   TK 2018-2019, 35 000-VII, nr. 52   In voorbereiding, zie ook TK 2018-2019, 32 847, nr. 472   Peters   TK 2018-2019, 35 000-XV, nr. 53   In voorbereiding   Het aantal goedkope huurwoningen (huurprijs onder de kwaliteitskortingsgrens van €414,02 in 2017) en betaalbare huurwoningen (huurprijs tussen de kwaliteitskortingsgrens van €414,02 en de aftoppingsgrens van €635,05 in 2017) in de corporatiesector bij elkaar opgeteld nam toe van 1.785.011 zelfstandige woningen begin 2015 tot 1.833.828 zelfstandige woningen eind 2017 (bron: verantwoordingsinformatie woningcorporaties). Dit is tevens het meest recente moment waarover de data beschikbaar zijn.   9)   Klopt het dat de wachttijden bij De Alliantie kunnen oplopen tot 20 jaar? Zo ja, hoe verklaart u dat? 4)   De genoemde wachttijd in het krantenartikel in “Almere deze week” d.d. 25 februari 2019 is een prognose. Of deze prognose realistisch is kan ik niet beoordelen. De wacht- en zoektijd voor personen die zich nu inschrijven is afhankelijk van de ontwikkeling van het aantal woningzoekenden, van de woningvoorraad en ook van de eisen die een woningzoekende aan een woning stelt.   In de woningnetregio Almere was de inschrijfduur bij verhuring in 2017 gemiddeld 8,6 jaar. Dit blijkt uit het onderzoek Stand van de woonruimteverdeling (zie volgende vraag). De zoekduur in deze regio is niet bekend, maar uit landelijke cijfers blijkt dat de zoekduur veel korter is dan de inschrijfduur.   10)   Wat is de laatste stand van zaken van wacht- en zoektijden in ons land voor sociale huurhuizen? Kunt u overzicht geven per woningmarktregio, en zo nee bent u bereid dat te onderzoeken?   Op 4 april heb ik twee onderzoeksrapporten aan uw Kamer gestuurd over wacht- en zoektijden: Stand van de woonruimteverdeling en Ruimte voor wonen, over de resultaten van het Woon Onderzoek Nederland 2018. Hierin worden de wacht- en zoektijden per regio beschreven. In de Staat van de Volkshuisvesting 2019 die in mei aan de Kamer wordt aangeboden zal ik ingaan op de uitkomsten.     11)   Hoe verhoudt het eisen van extra belastingen op sociale huurhuizen, in de vorm van de verhuurderheffing en de uitwerking van ATAD, zich tot het oplossen van de tekorten in de sociale huursector?   Corporaties zijn Vpb-plichtig, waardoor algemene fiscale maatregelen die de Vpb betreffen, zoals de ATAD-maatregelen, ook hen kunnen raken. Bij de verhuurderheffing is de grondslag de WOZ-waarde, waardoor in principe de heffingslast toeneemt als de WOZ-waarde stijgt.   Zoals aangegeven in mijn brief van 6 maart jl. zal ik onderzoek uitzetten naar de omvang en kosten van de maatschappelijke opgaven voor woningcorporaties in relatie tot de financiële slagkracht van de corporatiesector op lange en korte termijn, zowel landelijk als regionaal. Eind 2019 verwacht ik de Kamer de resultaten van deze onderzoeken te kunnen presenteren.   12)   Wat is uw reactie op de woorden van de bestuurssecretaris van Lefier die stelt: “Uitgelezen moment om de verhuurderheffing af te schaffen, onder voorwaarde dat wij corporaties elke euro die ons dat bespaart inzetten ten dienste van de volkshuisvesting”, gezien het begrotingsoverschot van maar liefst 11 miljard euro ? Bent u bereid om de extra belastingen voor de sociale huursector om te zetten in een investeringsplicht, zodat er meer geld vrij komt voor nieuwbouw, verduurzaming en lagere huurprijzen? 5) 6)     In reactie op de woorden van de bestuurssecretaris van Lefier stel ik vast dat corporaties in beginsel hun beschikbare middelen te allen tijde dienen in te zetten ten dienste van de volkshuisvesting. Dit geldt ongeacht een eventuele afschaffing van de verhuurderheffing. Ik ga ervan uit dat ook Lefier zijn middelen inzet ten behoeve van de volkshuisvesting.   Verder blijkt uit de verantwoordingsgegevens en prospectieve informatie van de corporaties en uit de indicatieve bestedingsruimte woningcorporaties (IBW) dat in het algemeen geldt dat corporaties nog voldoende middelen hebben om te investeren. Dit geldt zeker op de korte termijn. Om corporaties toch te blijven stimuleren om te investeren, hebben we dit jaar de verhuurderheffing structureel met 100 miljoen euro verlaagd en is er een heffingsvermindering voor het investeren in verduurzaming geïntroduceerd. Hierdoor is er reeds meer geld vrijgekomen om te investeren. Desondanks blijf ik de investeringscapaciteit van corporaties in de gaten houden, onder meer via het aangekondigde onderzoek uit de brief van 6 maart jl., waarop ik in vraag 11 ook al ben ingegaan.   1) NOS, 24 maart 2019, https://nos.nl/artikel/2277427-tekort-sociale-huurwoningen-is-zo-groot-dat-er-een-deltaplan-nodig-is.html 2) https://www.opvang.nl/site/item/woningnood-kwetsbare-groepen-op-agenda-tweede-kamer 3) Tien aan aangenomen moties over aanpak woningschaarste voor m.n. kwetsbare groepen tussen 2015 en 2019 (bron: Federatie Opvang, brief 29 januari 2019, documentnummer 2019D03599) 1. 22 januari 2015 Motie van het lid Berckmoes-Duindam c.s. over de beschikbaarheid van voldoende betaalbare huurwoningen voor uitstroom maatschappelijke opvang. (29325, nr 71) 2. 8 oktober 2015 Motie Linda Voortman voor ontwikkeling actieplan nieuwkomers/herstarters op de woningmarkt (34 300 XVIII, nr 290) 3. 10 december 2015 Motie Bashir over meer betaalbare huurwoningen voor ouderen of mensen met een beperking. (19 637, nr 2100) 4. 17 maart 2016 Motie van het lid Berckmoes-Duindam c.s. over gemeenten stimuleren om de uitstroom uit de maatschappelijke opvang te bevorderen.(29325, nr 76) 5. 31 mei 2016 Motie Albert de Vries om maatregelen regering hoe deze op korte termijn gaat voorzien in behoefte aan betaalbare sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen. (32 847, nr 230) 6. 20 juni 2017 Motie Ronnes over een plan om het tekort aan geschikte huurwoningen voor verwarde personen weg te werken.(29 453, nr 444) 7. 11 december 2017 Motie Dik-Faber en Voortman over uitbreiding van het actieprogramma Weer Thuis. (34 775, nr 33) (motie is per einde 2018 uitgevoerd) 8. 29 mei 2018 Motie Koerhuis en Dik-Faber over tijdelijke huisvesting. (32847, nr. 396) 9. 12 november 2018 Motie Ronnes c.s. over oppakken van maatschappelijke opgaven door de corporaties (35000 VII, nr. 52) 10. 29 november 2018 Motie René Peters over een actieplan om uithuiszettingen te voorkomen (35 000 XV, nr 53) 4)http://www.almeredezeweek.nl/nieuws/1496512-woningnood-legt-druk-op-gezinsleven-karin-kleis-waterink 5) Twitter 26 maart 2019, https://twitter.com/ErikRTimmestatus/1110531601467953154 6) NOS, 26 maart 2019, https://nos.nl/artikel/2277617-begrotingsoverschot-stijgt-meer-dan-verwacht.html
  Datum: 6 mei 2019   Nr: 2019D18539   Indiener: K.H. Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Remco Dijkstra over de berichten 'Spijkenisserbrug weer open na storing' en 'Problemen met Spijkenisserbrug en Haringvlietbrug voorbij'

  Retouradres Postbus 20901 2500 EX Den Haag   Retouradres Postbus 20901 2500 EX Den Haag   De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA DEN HAAG   De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 4 2513 AA DEN HAAG   Datum   14 juni 2019   Onderwerp   Beantwoording vragen over: Spijkenisserbrug weer open na storing en Problemen met Spijkenisserbrug en Haringvlietbrug voorbij.   Datum   14 juni 2019   Onderwerp   Beantwoording vragen over: Spijkenisserbrug weer open na storing en Problemen met Spijkenisserbrug en Haringvlietbrug voorbij.   Geachte voorzitter,   Op 21 mei 2019 ontving ik vragen van het lid Remco Dijkstra (VVD) over de berichten ‘Spijkenisserbrug weer open na storing’ en ‘Problemen met Spijkenisserbrug en Haringvlietbrug voorbij’. Hierbij ontvangt u de beantwoording van deze vragen.   Vraag 1   Kent u de artikelen op de website van RTV Rijnmond: ‘Spijkenisserbrug weer open na storing’ en ‘Problemen met Spijkenisserbrug en Haringvlietbrug voorbij’?   Antwoord 1   Ja.   Vraag 2   Hoeveel storingen zijn er de afgelopen twee jaar geweest aan de Spijkenisserbrug? Kunt u daarin het onderscheid aangeven in oorzaak en duur van de storing?   Antwoord 2   Een stremming van de brug voor de scheepvaart of voor het wegverkeer kan veroorzaakt zijn door een storing of door externe oorzaken. Storingen worden voornamelijk veroorzaakt door elektrische defecten (55% van de gevallen), mechanische defecten (10%) of door problemen met het besturingssysteem (15%). Een externe oorzaak is bijvoorbeeld een aanrijding van de slagboom van de brug. Ongeveer 70% van de stremmingen betreft een storing.   In onderstaande tabel is per jaar het aantal stremmingen aangegeven en wordt de gemiddelde stremmingsduur vermeld. De beschikbaarheid van de brug blijft over de jaren heen voor zowel het wegverkeer als de scheepvaart op minimaal 99%.   2017   2018   2019 (t/m 25 mei)   Aantal   Gemiddelde duur (uur)   Aantal   Gemiddelde duur (uur)   Aantal   Gemiddelde duur (uur)   Stremmingen   (totaal storingen en externe oorzaken)   27   3:34   28   3:45   11   1:53   met effecten voor wegverkeer   11   2:31   11   4:50   5   1:40   met effecten voor de scheepvaart   23   3:51   23   2:53   10   1:53   NB de optelling van de stremmingen met effecten voor wegverkeer en scheepvaart is hoger dan het totaal aantal stremmingen. Dat heeft te maken met het feit dat er stremmingen zijn met effect voor én scheepvaart én wegverkeer.   Storingen   21   3:56   17   5:05   8   2:06   Externe oorzaken (vnl. aanrijding slagboom)   6   2:17   11   1:40   3   1:21   Vraag 3   Wat is de uitkomst van het in uw beantwoording van eerdere schriftelijke vragen (Kamervragen Remco Dijkstra, vergaderjaar 2017-2018, aanhangsel Handelingen 1467) toegezegde onderzoek naar mogelijkheden om de uitvoering van de renovatie van de Spijkenisserbrug te versnellen?   Antwoord 3   In reactie op de aangehaalde eerdere Kamervragen, heb ik aangegeven dat ik laat onderzoeken of er mogelijkheden zijn om de uitvoering te versnellen, maar dat ik de mogelijkheden beperkt acht. Het onderzoek naar de versnellingsmogelijkheden is recent afgerond. Ik moet op basis hiervan nu vaststellen dat een versnelling van de renovatie ten opzichte van de huidige planning niet mogelijk is.   Voorafgaand aan de uitvoering wordt in de lopende planfase met onderzoek de technische staat van de brug in kaart gebracht. Dit is een complex proces dat nog in volle gang is. Na afloop van de planfase kan de renovatiescope worden bepaald. De duur van het onderzoek naar de technische staat van de brug en de tijd die daarna nodig is voor de contracteringsfase, bepalen de planning van het project en kunnen niet verkort worden.   Vraag 4   Welke kansen ziet u om de renovatie te versnellen door bijvoorbeeld capaciteit uit te breiden bij storingsgevoelige assets, ook in het licht van het rapport van de Algemene Rekenkamer van 15 mei 2019 (‘Het wordt pas sexy als het fout gaat’, waarin onder andere aangegeven wordt dat het achterstallig onderhoud wordt onderschat?   Antwoord 4   De renovatie-opgave van de Spijkenisserbrug kan niet worden versneld (zie antwoord op vraag 3). Bepalende factor is de doorlooptijd van het benodigde onderzoek naar de technische staat van de brug. Dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd door een marktpartij. Het onderzoek bestaat onder andere uit intensieve inspecties en uitgebreide berekeningen. Eerdere ervaring met renovatieprojecten waarbij besluitvorming heeft plaatsgevonden op een grover informatieniveau leert dat dit grote risico’s oplevert op vertragingen in de uitvoering van het project. Inzet van extra capaciteit bij RWS levert geen versnelling op bij de uitvoering van het onderzoek voor de Spijkenisserbrug.   Vraag 5   Is het mogelijk om voor de periode in aanloop naar de renovatie van de Spijkenisserbrug de capaciteit bij Rijkswaterstaat uit te breiden, enerzijds om de impact van incidenten bij storingsgevoelige assets te verkleinen door extra flankerende maatregelen mogelijk te maken, anderzijds om direct te investeren in flankerende maatregelen?   Antwoord 5   RWS is bezig met de voorbereiding van dergelijke maatregelen bij de Spijkenisserbrug. Enerzijds worden samen met de gemeenten Nissewaard en Rotterdam de mogelijkheden onderzocht om vooral het langzaam verkeer te faciliteren tijdens (langdurige) storingen van de Spijkenisserbrug. Ik denk hierbij aan extra inzet van het openbaar vervoer of tijdelijk vervoer over water. Deze oplossingen worden op haalbaarheid bekeken. Anderzijds blijf ik bezig met de voorbereiding van technische maatregelen waarmee vooruitlopend op de renovatie de storingsgevoeligheid van de Spijkenisserbrug afneemt. Eerder heb ik in dit kader de hoogspanningsinstallatie en het wisselstrooksysteem van de brug vervangen.   De uitvoering van de flankerende maatregelen vraagt vanzelfsprekend capaciteit van Rijkswaterstaat en van de regio. Rijkswaterstaat is momenteel in overleg met de regio aan het onderzoeken hoe de flankerende maatregelen en de benodigde capaciteit op korte termijn georganiseerd kunnen worden.   Vraag 6   Bent u bereid de openingstijden vast te zetten buiten de ochtend- en de avondspits om de overlast van brugopeningen te verkleinen, en net zoals bij de Erasmusbrug en Van Brienenoordbrug bloktijden in te voeren? Deelt u de mening dat door clustering van de scheepvaart op deze route ook een bijdrage wordt geleverd aan lagere emissies en een bijdrage kan worden geleverd aan de klimaatdoelstellingen?   Antwoord 6   De Oude Maas is een hoofdvaarweg die de verbinding vormt voor zeeschepen met de (zee-) havens van Moerdijk en Dordrecht. Het economisch belang van (zee)scheepvaart op deze route is groot. De grote zeeschepen kunnen hier moeilijk manoeuvreren of stil liggen zonder dat dit onveilige situaties oplevert. Daarnaast zijn zeeschepen vaak afhankelijk van het getij en hebben zij de juiste stroomrichting nodig voor het passeren van bruggen en voldoende waterdiepte nodig om de havens van Moerdijk en Dordrecht binnen te kunnen lopen. Omdat het getij verschuift over de dagen heen treedt deze situatie steeds op een ander moment van de dag op.   Vanwege bovenstaande argumenten krijgt de (zee-)scheepvaart voorrang ten opzichte van het lokale wegverkeer bij de Spijkenisserbrug. Ik ben om die reden niet voornemens om vaste openingstijden in te stellen voor de Spijkenisserbrug buiten de spitsperiodes. De Spijkenisserbrug wordt alleen geopend voor schepen hoger dan 12,5 meter. De brug gaat open zodra een schip zich aandient. Dat kan dus ook in de spits zijn. Voor de recreatievaart wordt de brug in de spitsuren niet (exclusief) geopend.   De situatie op de Nieuwe Maas is anders. De Nieuwe Maas is een hoofdvaarweg die vooral voor binnenvaart, recreatievaart en bijzondere transporten wordt gebruikt. De bruggen over de Nieuwe Maas hoeven veel minder vaak bediend te worden en openingen zijn veelal voor de recreatievaart en bijzondere transporten die buiten de spitsen gepland kunnen worden. De Erasmusbrug en de Van Brienenoordbrug over de Nieuwe Maas kunnen daarom wel op vaste tijden bediend worden.   Het clusteren van de (zee-)scheepvaart, zodat meerdere schepen tegelijk de Spijkenisserbrug kunnen passeren, wordt al toegepast en ook door het loodswezen nagestreefd indien de veiligheid dit toelaat. Door de beperkte manoeuvreerbaarheid van zeeschepen en de afhankelijkheid van het getij is clusteren niet altijd mogelijk.   In de scheepvaart is geen sprake van lagere emissies omdat door clustering van de scheepvaart en beperking van de doorvaartijden van de scheepvaart, de wacht- en vaartijden van de scheepvaart toenemen. Of door het ontbreken van brugopeningen in de spits het wegverkeer een bijdrage kan leveren aan lagere emissies en de klimaatdoelstellingen, kan ik niet beoordelen. Het is namelijk niet in te schatten welke gevolgen een betere doorstroming van het verkeer bij de Spijkenisserbrug heeft voor de rest van het netwerk.   Hoogachtend,   DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,   drs. C. van Nieuwenhuizen Wijbenga
  Datum: 14 juni 2019   Nr: 2019D25263   Indiener: C. van Nieuwenhuizen Wijbenga, minister van Infrastructuur en Waterstaat   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Agema over het bericht dat het ministerie van VWS de grootste stijging aan communicatiemedewerkers van alle ministeries heeft

Hierbij zend ik u, mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en minister voor Medische Zorg en Sport, de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Agema (PVV) over het bericht dat het ministerie van VWS grootste stijging aan communicatiemedewerkers van alle ministeries heeft (2019Z04291).   Hoogachtend,   de minister van Volksgezondheid,   Welzijn en Sport,   Hugo de Jonge   Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Agema (PVV) over VWS grootste stijging aan communicatiemedewerkers van alle ministeries heeft. (2019Z04291)     1   Klopt het bericht het bericht dat er op het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) ruim 58 Fte aan communicatiemedewerkers werkt en daarenboven nog eens 9,5 Fte aan externe communicatiemedewerkers?   1.   Voor het exacte overzicht verwijs ik naar het openbare document op https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/03/01/fte-overzicht-directies-communicatie-rijksoverheid-2019.   2   Klopt het bericht dat dit een toename is van bijna 15 Fte ten opzichte van het vorige kabinet? Waarom is dit?   2.   Ja.   Eind 2016/begin 2017 is de directie in stapjes uitgebreid naar 58 fte. Deze groei is rechtstreeks terug te voeren op de wens om nieuwe rijksbrede ontwikkelingen in het communicatievak een plek te geven binnen de directie. Kennis van de buitenwereld op gestructureerde wijze binnen brengen en meer interactie met diezelfde buitenwereld vormen daarvan de kern. Daarom is er meer aandacht gegeven aan publiekscommunicatie (o.a. social media en webcare) en monitoring.   3   Klopt het bericht dat hier 3,5 miljoen euro per jaar mee is gemoeid? Zo nee, hoeveel geld besteed het ministerie van VWS aan communicatiemedewerkers?   3.   Nee. De totale kosten van de uitbreiding inclusief inhuur is ruim 1,6 miljoen euro.   De totale personeelskosten voor communicatiemedewerkers bedraagt 5,5 miljoen euro.   4   Hoeveel besteedt het ministerie van VWS aan communicatie in brede zin?   4.   Het ministerie besteedt jaarlijks ongeveer 23,75 miljoen euro aan communicatie-uitgaven.   5   Deelt u de mening dat het onacceptabel is om steeds meer geld uit te geven aan communicatiemedewerkers op een ministerie dat nog steeds veel bezig is met besparen op zorg zoals middels de hoofdlijnenakkoorden?   5.   Nee. De gesuggereerde link tussen enerzijds besparen op zorg middels hoofdlijnenakkoorden en de uitgaven aan communicatiemedewerkers anderzijds is er niet.   6   Deelt u de mening dat het onverteerbaar is dat een ziekenhuis als het Bronovo moet sluiten wegens de 0%-volumegroeinorm uit de hoofdlijnenakkoorden, terwijl u miljoenen uitgeeft aan communicatiemedewerkers?   6.   Nee. De gesuggereerde link tussen enerzijds besparen op zorg middels hoofdlijnenakkoorden en de sluiting van het Bronovo ziekenhuis anderzijds is er niet. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.   7   Begrijpt u dat de indruk bestaat dat bovenop de ruim 58 Fte er ook nog eens 9,5 Fte aan externe communicatiemedewerkers zich bezighouden met campagnes over de zorg, u tezamen vooral een PR-bureau vormt? Zo nee, waarom niet?   7.   Nee. De medewerkers houden zich bezig met beleidscampagnes die overigens ook deels voortkomen uit wensen van de Kamer. Een aantal campagnes loopt al een aantal jaar.   8   Kunt u een opsomming geven van alle campagnes over de zorg waar deze communicatiemedewerkers zich mee bezig houden en een overzicht van de planning en de looptijd van deze campagnes?   8.   Campagnes op TV en radio   Nix 18 (looptijd 2013 t/m 2024)   Geweld hoort nergens thuis (i.s.m. J&V, looptijd 2008 t/m 2021)   Werken in de zorg (looptijd 2018 t/m 2022)   Donodonorregister (looptijd 2014 t/m 2020)   Eenzaamheid (looptijd 2018 t/m 2021)   Depressie (looptijd 2016 t/m 2021)   Geef vrijheid doo 4 en 5 mei (jaarlijks, onbepaalde tijd)   Campagnes op radio (inclusief print, online)   Eindejaarscampagne Zorgverzekering (looptijd 2007 voor onbepaalde tijd)   Antibioticaresistentie (looptijd 2015 t/m 2021)   Rookvrij opgroeien (looptijd 2016 t/m 2021)   Campagnes print en online   Zorg van Nu (looptijd 2018 t/m 2021)   Jezelf mooier maken kan lelijk uitpakken/implantaten   Campagnes in ontwikkeling   Acute Zorg   Mantelzorg   Onbedoeld zwanger   Kansrijke start   Matig alcoholgebruik   Stoppen met roken   Herwaardering Ouderen   Palliatieve Zorg   Rechtmatige zorg   9   Kunt u een volledige opsomming geven van alle andere zaken waar deze communicatiemedewerkers zich mee bezig houden?   9.   De communicatiemedewerkers van VWS houden zich bezig met:   Woordvoering en persvoorlichting   Communicatieadvies   Externe optredens van bewindspersonen   Monitoring en analyse van het nieuws   Webcare social mediakanalen   Publieksvoorlichting (mail, schriftelijk, telefonisch)   Campagnemanagement   Speeches   Interne communicatie   Social advies en uitvoering   Grafische dienstverlening   10   Worden deze campagnes ook gevoerd in verkiezingstijd? Kunt u een volledig overzicht geven?   10.   De planning is gebaseerd op 12 maanden en op basis van beschikbaarheid van zendtijd en voorkeur voor tijdvak. De planning wordt gecoördineerd door Dienst Publiek en Communicatie van het ministerie van Algemene Zaken.   De campagnes zijn gericht op beleidsdossiers van VWS en hebben geen relatie met verkiezingsperiodes.   11   Welke campagnes zijn gekoppeld aan welke bewindspersonen? Kunt u een volledig overzicht geven?   11.   De campagnes zijn uit naam van de Rijksoverheid/ministerie. De verdeling van de onderwerpen over de verantwoordelijke bewindspersoon is als volgt:   Minister van VWS:   Geweld hoort nergens thuis   Eenzaamheid   Herwaardering Ouderen   Palliatieve Zorg   Mantelzorg   Kansrijke start   Minister voor MZS:   Donorwet   Acute Zorg   Antibioticaresistentie   Eindejaarscampagne Zorgverzekering   Jezelf mooier maken kan lelijk uitpakken/Implantaten   Staatsecretaris van VWS:   Nix18   Matig alcoholgebruik   Stoppen met roken   Rookvrij opgroeien   Onbedoeld zwanger   Depressie   Geef vrijheid door   Overkoepelend 3 bewindspersonen:   Werken in de Zorg   Zorg van Nu   Rechtmatige Zorg   12   Waarop baseert u dat u de grens tussen algemene campagnes over de zorg en verkiezingscampagnes niet bent overschreden?   12.   Dit is niet aan de orde. De campagnes over de zorg zijn gericht op beleidsdossiers van VWS en hebben geen relatie met verkiezingscampagnes.   13   Vallen de twaalf actieprogramma’s van VWS ook onder de in dit stuk genoemde campagnes over de zorg? Zo nee, hoeveel extra Fte aan medewerkers houdt zich bezig met de twaalf actieprogramma’s?   13.   Campagnes zijn, voor zover van toepassing, onderdeel van een programma (en niet andersom). Deze nieuwe campagnes zijn onderdeel van de programma’s: Eén tegen Eenzaamheid, Herwaardering ouderen, Mantelzorg, Ik zorg en Kansrijke start.   Naast de vaste medewerkers zijn 3 fte tijdelijk ingehuurd voor de ondersteuning op de 12 programma’s.   14   Vindt u het ook niet opvallend dat vooral de minister van VWS veel actieprogramma’s precies in verkiezingstijd presenteert? Zo nee, waarom niet?   14.   De beleidsonderwerpen van de programma’s komen voort uit afspraken in het regeerakkoord. De programma’s zijn door het jaar 2018 heen gelanceerd (getuige de nieuwsberichten die hieraan gekoppeld zijn) en er is geen link met de verkiezingstijd.   Hierbij een overzicht met van de programma’s met de lanceermomenten:   Werken in de zorg: 14 maart 2018   Eén tegen Eenzaamheid; 20 maart 2018   Thuis in het verpleeghuis; 10 april 2018   Zorg voor de Jeugd; 16 april 2018   Rechtmatige Zorg; 19 april 2018   Geweld hoort nergens thuis; 25 april 2018   (Ont) regel de Zorg; 23 mei 2018   Onbeperkt meedoen (implementatie VN-verdrag); 14 juni 2018   Langer Thuis; 18 juni 2018   Kansrijke Start; 12 september 2018   Volwaardig Leven (over leven met een beperking); 1 oktober 2018   15   Werd de inhoud van het interview in het AD van afgelopen week van de minister van VWS en zijn bijdrage over doorgeschoten marktwerking in de ouderenzorg in het televisieprogramma Buitenhof voorbereid door communicatiemedewerkers? Zo ja, welke?   15.   Ja, een woordvoerder.   16   Begrijpt u dat dit deze interviews vallen onder campagneactiviteiten? Zo nee, waarom niet?   16.   Nee. Het waren beleidsinhoudelijke interviews in mijn rol als minister van VWS.   17   Heeft de minister van VWS zich gerealiseerd dat hij nog geen concrete plannen voor het terugdraaien van de doorgeschoten marktwerking in de ouderenzorg naar de Tweede Kamer heeft gestuurd? Wanneer mogen we die verwachten?   17.   De brief wordt op korte termijn naar de Tweede Kamer gestuurd.   18   Heeft de minister van VWS zich gerealiseerd dat het verkiezingstijd is en hij uit integriteit geen beroep kan doen op communicatiemedewerkers die voor het ministerie van VWS werken ten behoeve van verkiezingsactiviteiten van het CDA? Zo ja, waaruit blijkt dit?   18.   De communicatiemedewerkers van VWS werken aan communicatie over beleid, niet aan verkiezingsactiviteiten. De communicatie is gebonden aan de uitgangspunten van overheidscommunicatie die in 2002 zijn vastgesteld door de Ministerraad.   19   Deed de minister van VWS een beroep op communicatiemedewerkers die voor VWS werken ten behoeve van de verkiezingscampagne van het CDA? Zo nee, waaruit blijkt dat?   19.   Nee. Zie ook het antwoord op vraag 18.   20   Zijn er communicatiemedewerkers die specifiek voor één bewindspersoon werken?   20.   Ja.   21   Zo ja, om hoeveel Fte medewerkers per bewindspersoon gaat het? Waarom is dit nodig? Hoe ziet de functieomschrijving van deze mensen eruit?   21.   Per bewindspersoon werken gemiddeld 7,5 fte vanwege de inhoudelijke kennis die nodig is t.a.v. de beleidsdossiers waar de bewindspersoon verantwoordelijk voor is. Deze functies zijn:   Woordvoerders; verdeling van de verschillende dossiers   Persvoorlichter; voorbereidend werk en directe beantwoording van persvragen   Speechschrijver; de speeches worden uit naam van de bewindspersoon geschreven   Social media-adviseur   Adviseur Externe optredens   Medewerker Externe optredens   22   Kunt u de functieomschrijvingen van deze 58,1 Fte en 9,5 Fte aan communicatiemedewerkers ons doen toekomen?   22.   De functieomschrijvingen zijn conform het functiegebouw rijksoverheid en staan op https://functiegebouwrijksoverheid.nl/functiegebouw   De functies bij de directie Communicatie zijn topmanager, middenmanager, adviseur bedrijfsvoering, (senior) adviseur, medewerker advisering, managementondersteuner.   23   Voeren deze communicatiemedewerkers ook taken uit die eigenlijk niet vallen onder hun functieomschrijving? Zo ja, om welke taken gaat het dan?   23.   Nee.   24   Voeren deze communicatiemedewerkers ook taken uit die bewust in verkiezingstijd worden ingepland? Zo nee, vinden zij dit zelf ook? Kunt u intern een mini-enquête uitzetten om dit te staven? Zo nee, waarom niet?   24.   Nee, de communicatiemedewerkers werken op basis van de uitgangspunten voor overheidscommunicatie van de rijksoverheid (zie antwoord op vraag 18).   Een mini-enquête voegt niets toe aan de gevraagde feitelijke informatie (zie vraag 27).   25   Wie beslist als eindverantwoordelijke wanneer campagnes over de zorg plaatsvinden? Is daar besluitvorming over die we kunnen controleren? Zo ja, dan ontvangen we die graag.   25.   De directie Communicatie adviseert de bewindspersonen over de campagnes. De rijksbrede toetsingscommissie geeft akkoord op de aanmeldingen van de campagnes vanuit de departementen. De Voorlichtingsraad stemt in met de aangemelde campagnes vanuit de toetsingscommissie.   26   Voeren deze communicatiemedewerkers ook taken uit die eigenlijk betaald moeten worden door de politieke partijen waar de bewindspersonen onderdeel van uitmaken? Zo nee, kunt u dit staven?   26.   Dit is niet aan de orde. Zie ook het antwoord op vraag 18 en 24.   27   Kunt u, gezien deze vragen over uw communicatiemedewerkers gaat, er alstublieft voor zorgdragen dat zij in de beantwoording van deze vragen alleen betrokken worden voor de input van feitelijke informatie?     27.   Ja.   1) RTL Nieuws, Aantal communicatiemedewerkers fors gegroeid onder Rutte III: 'Kost tonnen extra', 1 maart 2019.  
  Datum: 26 april 2019   Nr: 2019D17878   Indiener: H.M. de Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport   Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Gewijzigd amendement van het lid Stoffer 35074-31 tvv nr 23 over uitzonderingen in verband met seizoenswerk

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor: |   I   In artikel I, onderdeel B, onder 2, wordt “tweede lid tot elfde lid” vervangen door “tweede lid tot twaalfde lid” en wordt een lid toegevoegd, luidende: 11. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan bepaald worden dat lid 3 en lid 5 niet van toepassing zijn voor bij die overeenkomst of regeling aangewezen functies, die gedurende een periode van ten hoogste negen maanden per jaar kunnen worden uitgeoefend en niet aansluitend door dezelfde werknemer kunnen worden uitgeoefend gedurende een periode van meer dan negen maanden per jaar.   II   In artikel III, onderdeel D, komt het derde lid van het voorgestelde artikel 27 te luiden: 3. In afwijking van het eerste lid is het percentage van de lage premie, bedoeld in het eerste lid, van toepassing indien het een werknemer betreft die: a. de beroepspraktijkopleiding volgt van de beroepsbegeleidende leerweg van een beroepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, op de grondslag van een schriftelijke, in de administratie van de werkgever opgenomen overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8 van die wet, gesloten door de partijen, genoemd in artikel 7.2.9 van die wet; of b. een functie vervult die op grond van artikel 668a, dertiende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is aangewezen.   Toelichting   Werkgevers in onder meer de land- en tuinbouw zijn vanwege de aard van het werk vaak aangewezen op flexibele arbeid. Ook komt het geregeld voor dat werktijden zeer kort van tevoren worden gewijzigd. Ondergetekende vindt dat de wetgever rekening dient te houden met de specifieke kenmerken van het werk in deze sectoren. Dit amendement regelt daarom een uitzondering voor seizoensgebonden werk. De verplichting om bij wijziging van arbeidstijden loon te betalen en om na een jaar een contract met vaste arbeidsomvang aan te bieden gelden niet. Ook wordt de lage premie toegepast. Het amendement sluit aan bij de bestaande uitzondering in de wettelijke regeling van de ketenbepaling, waarin op grond van het wetsvoorstel de beperking van klimatologische of natuurlijke omstandigheden komt te vervallen (artikel 7:668a, dertiende lid).   Stoffer
  Datum: 30 januari 2019    Nr: 35074-31    Indiener: Chris Stoffer, Kamerlid SGP
Voor:    ...
Tegen:  ...
Besluit:  ...
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Ploumen, Kuiken en Ellemeet over demonstranten die vrouwen intimideren voor abortusklinieken

Hierbij zend ik u, mede namens de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, de antwoorden op de vragen van de Kamerleden Ploumen (PvdA), Kuiken (PvdA) en Ellemeet (GL) over demonstranten die vrouwen intimideren voor abortusklinieken (2019Z00647).   Hoogachtend,   de minister van Volksgezondheid,   Welzijn en Sport,   Hugo de Jonge   Antwoorden op Kamervragen van de Kamerleden Ploumen (PvdA), Kuiken (PvdA) en Ellemeet (GL) over demonstranten die vrouwen intimideren voor abortusklinieken. (2019Z00647)   1   Bent u op de hoogte van het feit dat anti-abortus demonstranten voor abortusklinieken staan en vrouwen aanspreken en hen intimideren? Wat vindt u daarvan? 1)   Antwoord vraag 1   Het is ons bekend dat anti-abortus demonstranten bij een groot deel van de abortusklinieken met wisselende regelmaat demonstreren. We vinden het onwenselijk als vrouwen hier bij hun bezoek aan een abortuskliniek hinder van ondervinden, zeker als dit een (emotionele) drempel opwerpt waardoor sommige vrouwen misschien afzien van een behandeling. Dit is echter zeker niet de dagelijkse gang van zaken bij een abortuskliniek.   2.   Bij hoeveel abortusklinieken zijn dit soort demonstranten die vrouwen intimideren gesignaleerd? Aan welke organisaties zijn zij gelieerd?     Antwoord vraag 2   Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft inmiddels met alle abortusklinieken contact gehad over dit onderwerp en met enkele gemeenten waar een abortuskliniek gevestigd is. Vrijwel alle klinieken geven aan op wisselende basis met demonstranten te maken te hebben in de nabije omgeving van hun abortuskliniek. De demonstranten zijn veelvuldiger te vinden bij de grotere abortusklinieken zoals die in Rotterdam, Amsterdam, Den Haag en Heemstede. Daar staan enkele keren per maand tot wekelijks demonstranten. Bij de overige abortusklinieken staan de demonstranten minder vaak.   Het gaat per kliniek meestal om enkele personen, die overwegend gelieerd zijn aan Stirezo (Stichting Recht zonder onderscheid) en de Stichting Schreeuw om leven. Verder zijn er ook kleine groeperingen zoals Jezus redt, abortusinformatie.nl en individuele demonstranten die bij abortusklinieken staan.   De meeste abortusklinieken en ook de gemeenten waarmee contact is geweest, geven aan dat de demonstraties lijken toe te nemen en/of dat de hinder van de demonstraties toeneemt. Dat wil overigens niet zeggen dat de demonstraties altijd als intimiderend worden ervaren.   3   Hoe ver gaat het recht op demonstratie als vrouwen daarbij op deze wijze worden benaderd?     4   In hoeverre is er sprake van strafbare feiten als vrouwen worden ingesloten door demonstranten, de demonstranten bonken op autoruiten, de toegang blokkeren en folders uitdelen van verknipte embyro’s?   Antwoord vraag 3 en 4   Demonstreren is het (grond)recht om met meerdere mensen in het openbaar uiting te geven aan gevoelens of wensen op maatschappelijk en politiek gebied. Meningsuitingen die choqueren of als storend worden ervaren krijgen ook bescherming. Het recht om (vreedzaam) te demonstreren wordt beschermd door de Grondwet en is nader gereguleerd in de Wet openbare manifestaties.   Het recht om te demonstreren en om je mening te uiten is echter niet onbegrensd. Bij strafbare gedragingen of uitingen kan worden ingegrepen. Of er sprake is van strafbare gedragingen of uitingen is afhankelijk van de aard van de uitingen en gedragingen en de omstandigheden waaronder de gedragingen plaatsvonden.   De burgemeester kan daarnaast op grond van de Wet openbare manifestaties voorschriften en beperkingen stellen om een demonstratie ordelijk en vreedzaam te laten verlopen, ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en om wanordelijkheden te bestrijden of te voorkomen. In dat kader kan de burgemeester ook voorschriften stellen of aanwijzingen geven waardoor anderen bescherming krijgen. Hierbij kan nog wel worden opgemerkt dat enige hinder of overlast ten gevolge van een demonstratie, erbij hoort. De bevoegdheid van de burgemeester gaat niet zo ver dat hij alle hinder of overlast kan wegnemen. Integendeel, de burgemeester heeft ook tot taak om het grondwettelijke recht om te demonstreren, te faciliteren.   Diverse gemeenten doen dit ook. Een voorbeeld van de bevoegdheid van de burgemeester om grenzen te stellen aan het recht tot demonstreren vinden we in Amsterdam. De gemeente Amsterdam hanteert als uitgangspunt dat demonstranten bezoekers niet mogen hinderen bij hun bezoek aan een abortuskliniek. De burgemeester kan in dat geval voorschrijven om niet bij de ingang van de kliniek, maar aan de andere kant van de straat te demonstreren.   Diverse APV’s (algemene plaatselijke verordening) stellen strafbaar om zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen of zich onnodig op te dringen. Het insluiten van bezoekers van een abortuskliniek, het bonken op autoruiten en het blokkeren van de toegang is mogelijk strafbaar op grond van deze APV’s. Ook is het strafbaar om een niet vooraf aangemelde of een door de burgemeester verboden demonstratie te houden en om te handelen in strijd met een door de burgemeester voor een demonstratie gesteld(e) voorschrift, beperking, aanwijzing of opdracht (artikel 11 Wet openbare manifestaties). De politie, het OM en uiteindelijk de strafrechter zullen echter van geval tot geval moeten beoordelen of een concrete gedraging strafbaar is.   5   Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met de abortusklinieken en alle gemeenten waar abortusklinieken zijn om te overleggen op welke wijze ervoor gezorgd kan worden dat de vrijheid van vrouwen om te kiezen voor een abortus, zonder daarbij geïntimideerd te worden, wordt gewaarborgd en deze vrouwen ongestoord naar binnen kunnen?     Antwoord vraag 5   Uit de contacten die het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft gehad met de abortusklinieken en enkele gemeenten waar een abortuskliniek gevestigd is, is gebleken dat er vaak contact is tussen gemeenten en abortusklinieken en tussen gemeenten en demonstranten.   Gemeenten kunnen zoals eerder onder vraag 3 en 4 aangegeven aanvullende voorschriften stellen of aanwijzingen geven, en dat doen zij ook vaak. Bij een deel van de abortusklinieken is het effect van deze aanvullende afspraken voldoende, maar er zijn ook abortusklinieken die nog niet tevreden zijn over de inhoud of het effect van de afspraken.   Na de uitzending van EenVandaag zijn er in verschillende gemeenten (zoals Den Haag en Rotterdam) door raadsleden vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders over het beleid ten aanzien van de abortuskliniek in hun omgeving. Ook is gebleken dat gemeenten zelf al initiatieven nemen om van elkaars aanpak te leren.   Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan hier een faciliterende rol in spelen. Met inachtneming van de inhoudelijke verantwoordelijkheden van het lokale gezag, zal ik voor het zomerreces de betrokken gemeenten en de abortusklinieken uitnodigen voor een gezamenlijk overleg om kennis uit te wisselen over elkaars behoeftes, mogelijkheden en goede voorbeelden.   6   Wanneer kunt u de Kamer berichten over de resultaten van dit overleg?   Antwoord vraag 6   Voor het zomerreces kan ik u informeren over de uitkomsten van dit gesprek.     1) EenVandaag, 16-1-2019.  
  Datum: 21 februari 2019    Nr: 2019D07684    Indiener: H.M. de Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van het lid Bruins Slot over het bericht dat het AMC honderden hoofden van omstreden Amerikaans bedrijf kocht

Vragen van het lid Bruins Slot (CDA) aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht dat het AMC honderden hoofden van omstreden Amerikaans bedrijf kocht (Ingezonden 14 december 2018) (2018Z23864)   1   Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving dat het AMC honderden hoofden van een omstreden Amerikaans bedrijf kocht? 1)   Antwoord 1: Ja, ik heb kennis genomen van deze berichtgeving.     2   Herinnert u zich nog uw antwoorden op de Kamervragen van 20 februari 2018 over het bericht “US body brokers supply world with torsos, limbs and heads (Reuters)?” 2)   Antwoord 2: Ja, ik herinner mij de antwoorden van mijn collega minister voor Medische Zorg en Sport.     3   Wat vindt u van de praktijken, waarbij Amerikaanse bedrijven woekerwinsten maken met onder meer de handel in lichaamsdelen in Nederland?   Antwoord 3: Ik begrijp de zorgen van uw Kamer over de winsten die commerciële bedrijven volgens deze berichtgeving zouden halen uit de donatie van lichamen of de levering van lichaamsmateriaal voor medisch-wetenschappelijk onderzoek en onderwijs.[1] In de berichtgeving wordt gesuggereerd dat Amerikaanse bedrijven potentiële donoren met financiële prikkels overhalen tot het doneren van hun lichaam en hen onvolledig informeren.   Het bieden van financiële prikkels aan de donor bij het doneren van het lichaam(-smateriaal) past niet in het Nederlandse stelsel. In Nederland staan donoren hun lichaam of lichaamsmateriaal af als altruïstische daad. Zij zouden met het doneren geen financieel voordeel mogen behalen. Dit kan immers tot onwenselijke prikkels leiden. Zo kunnen kwetsbare mensen verleid worden om ingrepen op het lichaam te ondergaan of het lichaam of lichaamsdelen dan wel ander lichaamsmateriaal af te staan om financiële redenen.   In diverse wetten is het dan ook verboden om financiële prikkels te bieden voor donatie van lichaamsmateriaal, bijvoorbeeld door artikel 2 van de Wet op de orgaandonatie en artikel 4, lid 2 van de Wet inzake bloedvoorziening. Ook in de toekomstige Wet zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl) zal worden opgenomen dat het verboden is om een vergoeding te geven die meer bedraagt dan de door de donor of de beslissingsbevoegde in verband daarmee gemaakte kosten. Deze voorbeelden gaan over het doneren van lichaamsmateriaal, niet het doneren van het lichaam. Dit laatste wordt geregeld in de Wet op de lijkbezorging (Wlb), waarin staat dat iemand bij leven toestemming kan geven om zijn of haar lichaam na overlijden te laten ontleden in het belang van de wetenschap of het wetenschappelijk onderwijs. In de huidige praktijk is er geen sprake van het bieden van financiële prikkels voor het doneren van een lichaam. Een verbod is momenteel nog niet expliciet geregeld. Met de Wzl wordt ook in de Wlb geëxpliciteerd dat een hogere vergoeding aan de donor of beslissingsbevoegde dan eventueel gemaakte kosten, verboden is.   In Nederland is geen sprake van een absoluut verbod op commerciële handelingen met lichaamsmateriaal. Lichaamsmateriaal wordt gebruikt door de medisch-wetenschappelijke sector, waarmee vanzelfsprekend geld gemoeid kan zijn. Bijvoorbeeld als het gaat om de ontwikkeling van nieuwe technologieën of geneesmiddelen. Ik vind het acceptabel dat partijen die onderdeel zijn van deze sector winst maken, omdat dit leidt tot vooruitgang in onze gezondheidszorg.   Voor mij staat derhalve voorop dat een donor moet weten voor welk doel zijn lichaam wordt bestemd of voor welk doel zijn lichaamsmateriaal wordt afgenomen en gebruikt. Het uitgangspunt moet zijn dat hij expliciete toestemming geeft voor het afnemen, bewaren en het gebruik van het lichaam of lichaamsmateriaal voor die doelen. Het is daarom essentieel dat de donor deugdelijk wordt geïnformeerd voordat hij/zij toestemming geeft. Dit omvat het informeren van de donor over eventuele commerciële handelingen met het gedoneerde lichaam of lichaamsmateriaal en over de vraag of en wie daarmee winst kan behalen.   Ik acht het van belang dat Nederlandse wetenschappelijke instellingen zich ervan vergewissen dat er sprake is van geïnformeerde toestemming, ook als het lichaam of lichaamsmateriaal niet uit Nederland komt. Het borgen van deze geïnformeerde toestemming en het onder strikte voorwaarden toestaan van bepaalde uitzonderingen op dit beginsel is een belangrijke reden om te werken aan het wetsvoorstel Wet zeggenschap lichaamsmateriaal (Wzl). Het conceptwetsvoorstel is in 2017 in publiek beraad geweest. Er kwamen veel reacties uit het veld op dit voorstel. Dit is ook de reden dat ik eerder in mijn nota medische ethiek (Kamerstuk 34 490, nr. 1) liet weten dat ik nog in beraad had hoe ik hiermee verder zou gaan. Op dit moment werk ik aan een reactie op de publieke consultatie en verwacht ik dat in 2020 het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer kan worden ingediend.   4   Wat is de reden dat meerdere academische centra afgelopen jaar op hun site aangaven dat ze voldoende aan de wetenschap ter beschikking gestelde lichamen hadden en een beperking instelden, terwijl zij wel lichaamsdelen tegen betaling uit de Verenigde Staten importeerden?   Antwoord 4: Verschillende anatomische instituten hebben inderdaad een rem op de inschrijving voor donatie ingevoerd, dit heeft te maken met de capaciteit van deze instituten om de lichamen te bewaren of de methode waarmee het lichaam wordt bewaard. In Nederland worden lichamen meestal gebalsemd, een methode waarbij het lichaamsmateriaal lange tijd bewaard kan worden en vaak geschikt is voor onderwijs of onderzoek. Voor sommige operatietechnieken is balseming echter minder geschikt, omdat het materiaal hierdoor minder beweeglijk is en de weefseltextuur kan veranderen. Een geschiktere methode kan dan zijn om het diepgevroren te bewaren. Op dit moment kiezen de meeste UMC’s niet of slechts beperkt voor deze methode voor hun eigen donoren, omdat dit een grotere logistieke belasting meebrengt en omdat eenmaal ontdooid lichaamsmateriaal zeer kort kan worden bewaard. Bij balseming kan het lichaamsmateriaal veel langer worden bewaard. Een uitgebreidere toelichting geef ik in mijn separate brief over het bericht ‘AMC kocht honderden hoofden van omstreden Amerikaans bedrijf’, die ik gelijktijdig met deze beantwoording naar uw Kamer stuur.   5   In hoeverre is artikel 3 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie op de handel in lichaamsdelen zoals beschreven in het desbetreffende item van toepassing, waarin staat er een verbod is om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel voordeel aan te wenden? Als dit artikel niet van toepassing is, waarom dan niet?   Antwoord 5:   Artikel 3 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) omvat het recht op lichamelijke en menselijke integriteit. Het tweede lid bepaalt dat in het kader van de geneeskunde en de biologie onder andere in acht moet worden genomen de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokkene en het verbod om het menselijk lichaam en bestanddelen daarvan als zodanig als bron van financieel voordeel aan te wenden. Het beginsel bevat geen absoluut verbod op commerciële handelingen met lichaamsmateriaal.   Artikel 3 richt zich, net zoals andere bepalingen van het Handvest, niet rechtstreeks tot burgers of bedrijven. De bepalingen van het Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie en tot de lidstaten. Anders dan internationale grondrechtenverdragen zoals met name het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, bevat het Handvest een algemene beperking ten aanzien van de toepasselijkheid op het handelen van de lidstaten. Er moet namelijk sprake zijn van het uitvoeren van Europese regelgeving. In de hierboven beschreven situatie waarbij het gaat om het door burgers (in de Verenigde Staten) bij leven bestemmen van het lichaam voor (ontleding in het belang van) doelen als wetenschappelijk onderzoek, bevat het Unierecht echter geen regels. Om die reden is deze bepaling van het Handvest op de onderhavige casus strikt genomen niet van toepassing.   Wel onderschrijf ik het uitgangspunt van artikel 3 ten zeerste, namelijk dat lichaamsmateriaal afkomstig is uit vrijwillige en onbetaalde donaties. Het bieden van een vergoeding aan de donor voor de door hem in verband met de donatie gemaakte onkosten (zoals een reiskostenvergoeding) staat hieraan niet in de weg. Hier gaat immers geen financiële prikkel vanuit. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 staan voor mij de geïnformeerde toestemming en de altruïstische daad voorop. Dit omvat ook het geven van informatie over commerciële handelingen met lichaamsmateriaal en over eventuele daarmee gepaarde gaande winst.     6   Wat bent u van plan om in de wet zeggenschap lichaamsmaterieel te regelen met betrekking tot het gebruik en het handelen in geïmporteerde lichaamsdelen of lichaamsdelen die niet via de anatomische centra in Nederland zijn verkregen?   Antwoord 6:   Het doel van de Wzl is om de zeggenschap te versterken van mensen die hun lichaamsmateriaal ter beschikking stellen en om tegelijkertijd onnodige belemmeringen voor met name medisch-wetenschappelijk onderzoek weg te nemen. Het wetsvoorstel richt zich op partijen die in Nederland lichaamsmateriaal, al dan niet afkomstig uit het buitenland, bewaren of gebruiken voor andere doelen dan medische behandeling of diagnose van de donor.   In de Wzl krijgt de beheerder van het lichaamsmateriaal, dus diegene die het materiaal bewaart, een aantal zorgplichten opgelegd. Dit betreft onder andere het vragen van toestemming aan de (potentiële donor) en het geven van volledige en begrijpelijke informatie over waar het lichaamsmateriaal voor gebruikt wordt. Onderdeel van deze informatie moet ook zijn wat er gebeurt met inkomsten die gehaald worden uit het gebruik van het lichaam. Hoewel de beheerder bij geïmporteerde lichaamsmateriaal zelf niet de toestemming zal vragen (de lichamen zijn immers al afgestaan), zal deze zich er wel van moeten vergewissen dat er sprake is geweest van geïnformeerde toesteming. Voor een uitgebreidere toelichting verwijs ik naar mijn brief over het bericht ‘AMC kocht honderden hoofden van omstreden Amerikaans bedrijf’ die ik gelijktijdig met deze beantwoording naar uw Kamer toestuur.   7   Bent u bereid om voor de import en doorvoer van lichaamsdelen dezelfde eisen te laten gelden als voor lijken zoals opgenomen in artikel 11 van het besluit lijkbezorging (bijvoorbeeld een laissez-passer of lijkenpas?   Antwoord 7:   Een laissez-passer of lijkenpas zoals is opgenomen in artikel 11 van het Besluit op de lijkbezorging heeft als doel om het internationaal vervoer van de lichamen van overledenen te vereenvoudigen ten behoeve van de lijkbezorging in Nederland. Het gaat dan bijvoorbeeld om de situatie waarin een Nederlander tijdens een vakantie in het buitenland is overleden en het lichaam gerepatrieerd moet worden. De import en doorvoer van lichaamsdelen voor andere doelen, zoals wetenschappelijk onderzoek of wetenschappelijk onderwijs staan hier los van.   Voor overige import en doorvoer van lichaamsmateriaal, dat tevens niet bedoeld is voor toepassing op de mens, gelden de normale Douane-procedures. Voor alle goederen die van buiten de Europese Unie naar Nederland komen, zowel over zee als via de lucht moet een aangifte worden gedaan. Die aangiftegegevens worden bewaard door de Douane. In deze aangifte geeft men aan wat voor goederen dit betreft. Risicogericht en steekproefsgewijs controleert de Douane de aangiften.   Hoewel ik het van groot belang acht dat ook het transport van lichaamsmateriaal zorgvuldig gebeurt, zie ik geen reden om extra regelgeving voor import of export van dit lichaamsmateriaal te stellen. De verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige, respectvolle en veilige omgang met lichaamsmateriaal zou moeten liggen bij diegene die het lichaamsmateriaal beheert. Daartoe behoort ook het zorgdragen voor een geschikte wijze van vervoer in geval van overdracht en ontvangst van dat lichaamsmateriaal aan een andere partij. De beheerder heeft immers de expertise om hiervoor – zo nodig in overleg met de ontvangende partij - de juiste maatregelen te nemen. Ik ben voornemens hierover regels te stellen in de Wzl.   8   Klopt het dat in Nederland naast begraven en cremeren overledenen alleen hun lichaam ter beschikking mogen stellen aan de wetenschap, waarbij het lichaam na het overlijden geschonken wordt aan een Anatomisch Instituut van een Universiteit voor onderwijs en onderzoek?   9   In hoeverre mogen in Nederland gevestigde bedrijven zich bezig houden met de handel in lichaamsdelen van overleden personen, indien in de wet op de lijkbezorging naast begraven en cremeren het lichaam van een overledene alleen geschonken mag worden aan een Anatomisch Instituut?   Antwoord 8 en 9:   Ingevolge de Wet op de lijkbezorging (Wlb), die van toepassing is in Nederland, kan een lichaam van een overledene in het belang van de wetenschap of het wetenschappelijk onderwijs worden ontleed, indien iemand bij leven hiertoe toestemming heeft gegeven. De Wlb bevat een aantal waarborgen om te voorkomen dat niet strijdig met dit zelfbeschikkingsrecht wordt gehandeld. Zo regelt de Wlb dat ontleding alleen is toegestaan bij expliciete bestemming van het lichaam daartoe. Iemand kan zijn of haar lichaam bij leven expliciet bestemmen voor ontleding. Als de overledene niet bij leven heeft verklaard op welke wijze hij of zij wenst dat zijn of haar lichaam na overlijden bezorgd wordt, kunnen nabestaanden alsnog het lichamen expliciet hiertoe bestemmen. Ontleding vindt vervolgens niet eerder plaats dan nadat verlof is verleend door de burgemeester en de ontleding mag uitsluitend plaatsvinden door of onder toezicht van een arts. Door de betrokkenheid van een arts wordt onder meer geborgd dat op een zorgvuldige en respectvolle wijze met het lichaam wordt omgegaan. De Wlb regelt vervolgens niet waar de ontleding plaats moet vinden. Een verplichte schenking aan een Anatomisch Instituut is niet opgenomen in de Wlb.   De Wlb is niet van toepassing op lichaamsmateriaal en regelt eveneens niet dat alleen geschonken mag worden aan een Anatomisch Instituut. Het is derhalve toegestaan dat de na ontleding resterende lichaamsmateriaal voor de wetenschap of wetenschappelijk onderwijs worden overgedragen aan een ander instituut. In de praktijk is het wel zo dat men in Nederland expliciete toestemming geeft aan een vooraf bepaald anatomisch instituut, waarna het gehele lichaam aan dit instituut wordt afgestaan. Deze zijn verbonden aan universiteiten, waar het wetenschappelijk onderzoek of onderwijs plaatsvindt.   De Wlb is zoals aangegeven alleen van toepassing in Nederland. Daarom is de Wlb niet van toepassing op het verkrijgen, gebruiken van lichaamsmateriaal dat afkomstig is uit het buitenland, behalve indien het gaat om lichamen die uit het buitenland gerepatrieerd worden om in Nederland bezorgd te worden. Het is dus toegestaan dat een in Nederland gevestigd bedrijf lichaamsmateriaal uit het buitenland importeert. Zoals in eerdere vragen aangegeven, zullen dergelijke activiteiten wel onder de reikwijdte van de toekomstige Wzl vallen. Een uitzondering hierop is de import van lichaamsmateriaal voor toepassing op de mens, hier zijn al verschillende wettelijke regimes voor. Ik noem hier als voorbeeld de Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal.   10   Welke regels gelden er voor bedrijven die zich bezig houden met bijscholing en cursussen voor medisch-specialisten, waarvoor lichaamsdelen van overledenen gebruikt worden?   Antwoord 10:   Ik vat deze vraag zo op dat u wilt weten of er in de medisch-ethische regelgeving - naast de reguliere regels over onderwijs - eventueel specifieke eisen worden gesteld aan nascholing van medisch-specialisten waarbij gebruik wordt gemaakt van lichaamsdelen van overledenen. Bestemming van het lichaam voor ontleding in het belang van wetenschappelijk onderwijs volgt uit de Wet op de lijkbezorging. Aangezien medisch specialisten in hun kennis en kunde bij moeten blijven bij de wetenschappelijke ontwikkelingen om goede zorg te kunnen verlenen, acht ik nascholing aan medisch specialisten ook onderdeel van het wetenschappelijk onderwijs zoals genoemd in de Wet op de lijkbezorging.   Het is aan de opleider om verantwoord en respectvol met dit lichaamsmateriaal om te gaan. Dit gebruik valt wel onder de reikwijdte van de toekomstige Wzl. In de Wzl zullen eisen worden gesteld aan het bewaren en gebruiken van lichaamsmateriaal. Zo moet de beheerder – diegene die het lichaamsmateriaal bewaart met het oog dit te gaan gebruiken– een beheerreglement opstellen waarin staat omschreven hoe aan de wettelijke eisen van de Wzl wordt voldaan. Bijvoorbeeld hoe het materiaal wordt gebruikt en hoe het wordt bewaard.   11   Bent u bekend met de vestiging van Rise Labs in Amsterdam die drie mensen verbonden aan Medcure (waar de FBI inval heeft plaatsgevonden) in het bestuur heeft? Klopt het dat zij diensten leveren aan mensen die hun lichaam nalaten en ook diensten verlenen aan medische professionals die in het veld anatomie werken? Hoe verhoudt zich dit tot de wet op de lijkbezorging waar staat dat overledenen alleen hun lichaam ter beschikking mogen stellen aan de wetenschap?   Antwoord 11:   Ik ben bekend met Rise Labs en heb naar aanleiding van uw vragen met het bedrijf gesproken. Het bedrijf opereert als een distributiecenter voor het Amerikaanse Medcure en importeert en exporteert lichaamsmateriaal. Dit wordt gebruikt voor bijvoorbeeld wetenschappelijk onderzoek, onderwijs en de ontwikkeling van medische apparatuur of geneesmiddelen. Onder de afnemers zijn zowel publieke organisaties, zoals universiteiten, als private organisaties, zoals producenten van medische apparatuur of farmaceutische bedrijven, in zowel Nederland als het buitenland. De Wlb is niet van toepassing op deze diensten, aangezien deze diensten zien op lichaamsmateriaal (en niet op lichamen) dat bovendien niet afkomstig is uit Nederland. Wanneer de Wzl in werking is getreden, zullen de handelingen met geïmporteerd lichaamsmateriaal onder de reikwijdte van de wet vallen.   1) Nieuwsuur, “AMC kocht honderden hoofden van omstreden Amerikaans bedrijf”, 8 december 2018   2) Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017-2018, nr. 1884
  Datum: 30 januari 2019    Nr: 2019D03592    Indiener: H.M. de Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Antwoord op vragen van de leden Ploumen, Karabulut en Van Ojik over het vertrek van VN-gezant Patrick Cammaert uit Jemen

  Hierbij bieden wij U de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door de leden Ploumen (PvdA), Karabulut (SP) en Van Ojik (GroenLinks) over het vertrek van VN-gezant Patrick Cammaert uit Jemen. Deze vragen werden ingezonden op 31 januari 2019 met kenmerk 2019Z01734.   De Minister van Buitenlandse Zaken,De Minister voor Buitenlandse Handel   en Ontwikkelingssamenwerking,   Stef BlokSigrid A.M. Kaag   Antwoorden van de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op vragen van de leden Ploumen (PvdA), Karabulut (SP) en Van Ojik (GroenLinks) over het vertrek van VN-gezant Patrick Cammaert uit Jemen   Vraag 1   Heeft u kennisgenomen van het bericht over het vertrek van VN-gezant Patrick Cammaert uit Jemen? 1)   Antwoord   Ja   Vraag 2   Was het u dan wel bij de VN bekend dat de heer Cammaert slechts voor een korte tijd beschikbaar zou zijn voor het VN-team in Jemen? Is een periode van zes weken normaal gesproken voldoende voor het uitbouwen van een staakt-het-vuren?   Antwoord   Dit was bekend. Over het “uitbouwen van een staakt-het-vuren” zou ik geen algemene uitspraak willen doen. Het zogenaamde Stockholm-akkoord voorzag een staakt-het-vuren voor Hodeidah en terugtrekking van troepen uit de stad. Door middel van VN Veiligheidsraadresolutie 2451 werd vervolgens besloten tot het sturen van een advance team voor 30 dagen om een begin te maken met het monitoren en ondersteunen van de uitvoering van het akkoord.   Vraag 3   Heeft u contact gehad met VN-gezant Martin Griffiths over de gevolgen van het vertrek van de heer Cammaert voor het functioneren van het VN-team en het uitbouwen van het staakt-het-vuren? Kunt u ingaan op de huidige stand van zaken van het staakt-het-vuren?   Antwoord   Er is frequent contact met de VN-gezant over alle ontwikkelingen. De heer Griffiths heeft op 31 januari aan de Veiligheidsraad gerapporteerd dat er wel schendingen zijn, maar dat het lokale staakt-het-vuren houdt, waarbij een belangrijk criterium is dat er geen pogingen worden gedaan door de partijen om gebiedsuitbreiding te bewerkstelligen.   Vraag 4   Klopt het bericht dat de Houthi’s, die zich begin januari zouden terugtrekken uit Hodeida, dat nog niet gedaan hebben? Zo ja, wat zijn hiervan de gevolgen voor het Wereldvoedselprogramma (WFP)? Zo nee, wat is nu de situatie in Hodeida?   Antwoord   Dat klopt, de terugtrekking is nog niet voltooid. Volgens VN-gezant Griffiths heeft de terugtrekking, zoals in Stockholm was afgesproken, vertraging opgelopen. Onderhandelingen door het Redeployment Coordination Committee (RCC) over een nieuwe tijdlijn voor wederzijdse terugtrekking zijn gaande.   In de tussentijd blijft het Wereldvoedselprogramma (WFP) doorgaan met hulpverlening, ondanks dat omstandigheden zeer lastig blijven. Zo zijn de zogenaamde Red Sea Mills, een belangrijke opslagplaats voor voedsel, sinds september 2018 niet meer toegankelijk geweest voor het WFP. Eind januari werden bij een brand twee silo’s met tarwe beschadigd. Desalniettemin heeft WFP aangekondigd voedselhulp in geheel Jemen op te zullen schalen tot 12 miljoen mensen.   Vraag 5   Wat zijn de gevolgen van de huidige situatie rondom het staakt-het-vuren voor de humanitaire situatie? Heeft u hierover overleg met de VN, met uw internationale collega’s of het Rode Kruis? En wat kan er worden gedaan om de humanitaire situaties te verbeteren?   Antwoord   De humanitaire situatie blijft onverminderd zeer ernstig, ondanks dat het staakt-het-vuren in Hodeidah standhoudt. De situatie is nog onvoldoende stabiel voor grootschalige terugkeer van de mensen die gevlucht zijn. De VN en haar partners gaan door met hulpverlening aan de nog aanwezige inwoners van Hodeidah en de mensen die terugkeren. Dit betreft zowel voedselhulp als cash en andere items als pakketten voor noodopvang. Het Central Emergency Response Fund (CERF) heeft recentelijk 32 miljoen dollar bijgedragen aan het Wereldvoedselprogramma om de voedselhulp in Hodeidah en elders op te schalen. Ook vanuit het Yemen Humanitarian Fund (YHF) zullen humanitaire partners worden gesteund om voedselhulp en opvang van ontheemden uit te breiden. Nederland is een belangrijke donor van CERF en YHF. Nederland spreekt zeer regelmatig met de VN en andere humanitaire spelers over de huidige inzet en voorbereiding op verschillende toekomstscenario’s.   Vraag 6   Wat zijn de concrete gevolgen van de (slechte) veiligheidssituatie in Hodeida voor het VN-team? Welke gevolgen heeft dat vervolgens voor de uitwerking van de afspraken die gemaakt zijn in Stockholm?   Antwoord   Vooralsnog is het concrete gevolg een beperking van de bewegingsvrijheid van het VN-team. De SGVN heeft in zijn voorstel over het opzetten van de nieuwe missie de randvoorwaarden benoemd waaraan moet worden voldaan om de UNMHA-missie te kunnen ontplooien.   De uitwerking van de afspraken loopt ook vertraging op. Maar alle partijen zijn het er over eens dat het overleg moet worden voortgezet. De recente hervatting van de RCC-onderhandelingen op een WFP-schip voor de kust van Hodeidah is in dat opzicht een positief signaal.   Vraag 7   Heeft u inmiddels contact opgenomen met de Crisis Group, die stelt dat Houthi-rebellen hun macht probeerden te behouden door simpelweg nieuwe uniformen aan te trekken en zich daarin te melden bij de heer Cammaert? Heeft u hierover contact gehad met de heer Cammaert?   Antwoord   Dergelijke berichten zijn bekend. In een artikel uit de gelederen van de Crisis Group wordt in dit verband overigens reeds gemeld dat de heer Cammaert niet is overgegaan tot erkenning van de beschreven handelwijze. Hierover is niet specifiek gesproken met de Crisis Group of de heer Cammaert.   Vraag 8   Is het u bekend wat ten grondslag ligt aan de weigering van de Houthi’s deel te nemen aan onderhandelingen met regeringsvertegenwoordigers? Welke mogelijkheden ziet u om in internationaal verband de Houthi’s te bewegen deel te nemen aan de onderhandelingen met regeringsvertegenwoordigers? Heeft u hierover contact gehad met uw Europese ambtsgenoten en/of de Hoge Vertegenwoordiger van de EU, Mogherini?   Antwoord   Er is in deze fase geen overeenstemming over de veiligheid en de neutraliteit van de betreffende onderhandelingslocaties in Hodeidah; de onderhandelingen zijn onlangs voortgezet op een WFP-schip voor de kust. Er is doorlopend contact met Europese ambtgenoten en de Hoge Vertegenwoordiger van de EU. Beide partijen worden regelmatig opgeroepen om deel te nemen aan de “redeployment”-gesprekken.   1) https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/vn-veteraan-patrick-cammaert-alweer-weg-uit-jemen~bf354727/?utm_source=link&utm_medium=app&utm_campaign=shared%20content&utm_content=free
  Datum: 15 februari 2019    Nr: 2019D06587    Indiener: S.A. Blok, minister van Buitenlandse Zaken
Bron:    tweedekamer.nl
submitted by kamerstukken-bot to kamerstukken [link] [comments]

Dag 11 - Stoepkrijt in de regen O Vet - Afrikaans Feature Film As Jy Sing Die Movie - YouTube VOSSIE VERGAS HOMSELF Movie Trailer - YouTube Bijbel in een notendop SVC

Dit was tot voor kort de meest passende structuur, maar de ASG wil deze structuur nu in overeenstemming brengen met de praktijk, door ook in juridische zin één stichting te vormen. Hiervoor is een wijziging van de statuten en het convenant nodig. De gemeenteraad wordt gevraagd hiermee in te stemmen”, zo Groenewald kort 60% van die parlement se ondersteuning vir sy wetsontwerp. Sou hy dit kry vir sy oorspronklike voorstel sal 'n ramptoestand vir slegs 21 dae geldig wees. Na dit sal die parlement moet stem om dit te verleng, en vir nie meer as drie maande nie. Om dit te verleng, na die eerste drie weke en drie maande, sal 60% van die nasionale vergadering moet instem en kleiner partye sal ... Genoteer: JSE Beperk Kort naam: Remgro Lang naam: Remgro Beperk Aandelekode: REM Geldeenheid: ZAR Reg Nr: 1968/006415/06 JSE Sektor: Finansieel – Finansiële Dienste – Beleggingsbank en Makelaarsdienste – Gediversifiseerde Finansiële Dienste Gestig: 2000 Genoteer: 2000 (1948 as Rembrandt Groep Beperk) ISIN: ZAE000026480 Als een werknemer naar de dokter moet, gaat trouwen, met zijn partner naar het ziekenhuis moet o.i.d. kan hij hiervoor kort verzuim opnemen. Het kort verzuim is geregeld in artikel 38 cao Bouw & Infra. Beperkt 1) Begrensd 2) Beknopt 3) Beknot 4) Bekrompen 5) Benauwd 6) Bepaald 7) Betrekkelijk klein 8) Eenzijdig 9) Eindig 10) Eng 11) Enigszins verkleind 12) Geborneerd 13) Gehandicapt 14) Gelimiteerd 15) Gering 16) In geringe mate 17) In kleine omvang 18) Ingekrompen 19) Klein 20) Kort 21) Krap 22) Limited

[index] [6209] [763] [5533] [2037] [1133] [5810] [3621] [7596] [3939] [4445]

Dag 11 - Stoepkrijt in de regen

Ek besit geen regte vir hierdie fliek nie I do not own any rights to this Movie Uploaded for entertainment purposes As Jy Sing (2014) "Prentjies" Kort film 2016 wenner - Duration: 17:13. Morne Lane 18,659 views. 17:13. Christmas Catch - Full Movie - Duration: 1:26:52. Brain Power Studio Recommended for you. 1:26:52 . The ... In drie minuten door de Bijbel, een kort (beperkt maar toch krachtig) overzicht van God en de mensen, voorzien van animaties, Nederlandse ondertiteling. Een hart onder de riem voor de altijd vrolijke Beatrice. Door regen & wind bezorg ik haar een zonnetje. Met mijn actie 'Britt rent voor Edukans' wil ik 19 dagen achter elkaar gaan hardlopen en zo ... Premiering at Silwerskermfees 2017 Trailer with subtitles: https://www.youtube.com/watch?v=-KqcWYMdp_c

#